Boodschap 73x73.png

Dit artikel gaat over de uitbeelding van Doornroosje in het Sprookjesbos. Zie Doornroosje (doorverwijspagina) voor andere betekenissen.

Doornroosje
Intro doornroosje.jpg
Geopend 1952
Gebaseerd op De schone slaapster
Opgetekend door Charles Perrault / Gebroeders Grimm
Ontwerp Anton Pieck
Techniek Peter Reijnders
Figuren 5 (exclusief dieren)
Volgende Kabouterdorp
Sprookjesbos, overzicht

Doornroosje is het eerste sprookje op de route in het Sprookjesbos. Het is tevens één van de eerste tien sprookjes bij de opening in 1952.

La belle au bois dormant (De schone slaapster in het bos), zoals het verhaal oorspronkelijk heet, is voor het eerst opgetekend in de Sprookjes van Moeder de Gans door Charles Perrault, maar later ook door de Gebroeders Grimm. In de Efteling wordt het uitgebeeld met een kasteel op een heuvel, waar bezoekers via een trap omhoog kunnen klimmen om via ramen een kijkje te nemen in de slaapkamer waar Doornroosje rust en de boze fee aan het spinnewiel zit en in de keuken waar de koks slapen.

Het sprookje

Samenvatting

Tekening door Anton Pieck van Doornroosje
Kasteel en omgeving enkele jaren na opening

Een koning en een koningin leven heel gelukkig bij elkaar. De enige wens die ze hebben is om ooit een kindje te krijgen. Wanneer de koningin op een dag een bad neemt in de vijver in haar rozentuin krijgt ze van een kikker de blijde boodschap te horen dat haar wens zal uitkomen. Wanneer het prinsesje geboren wordt, dopen ze haar Doornroosje, naar de vele doornrozen in de paleistuin waar de koningin dol op is. Ze geven een groot feest, waarvoor ze alle belangrijke mannen en vrouwen van het land uitnodigen. In het land leven ook dertien feeën. Nu eten feeën alleen maar uit gouden borden en omdat de koning maar twaalf gouden borden heeft, besluit hij een fee niet uit te nodigen. De twaalf uitgenodigde feeën spreken op het feest elk een wens uit voor Doornroosje, maar nog voor de laatste fee haar wens kan uitspreken, verschijnt de dertiende fee. Die is zo kwaad dat ze niet is uitgenodigd, dat ze het prinsesje vervloekt: wanneer Doonroosje zestien wordt, zal ze zich prikken aan een spinnewiel en sterven. De twaalfde fee, die haar wens nog niet heeft gedaan, kan de vervloeking niet ongedaan maken, maar wel verzachten: in plaats van te sterven, zullen Doornroosje en iedereen in het kasteel voor honderd jaar in slaap vallen.

Wanneer Doornroosje zestien wordt, ontdekt ze in een toren van het paleis een oude vrouw die draad aan het spinnen is. Wanneer Doornroosje vraagt of ze het zelf eens mag proberen, prikt ze zich aan de spoel. Alles en iedereen in het kasteel valt in slaap: Doornroosje, de koning en de koningin, de lakeien, de hofdames, de schildwachten, de kok en zijn hulpje... Honderd jaar lang is het kasteel gehuld in een diepe slaap en overal klinkt gesnurk. Omdat ook de tuinmannen in slaap gevallen zijn, groeien de doornrozen in de paleistuin steeds hoger en hoger, tot ze een grote, bijna ondoordringbare haag rond het kasteel hebben gevormd.

Wanneer honderd jaar later een prins zich een weg door de doornhaag weet te banen, het kasteel binnendringt en Doonroosje wakker kust, ontwaakt iedereen en gaat verder met zijn werk alsof er geen ogenblik is voorbijgegaan. De prins en Doonroosje trouwen en leven nog lang en gelukkig.


Oorsprong

Het sprookje is in de lage landen zowel bekend onder de naam ‘Doornroosje’ als ‘De Schone Slaapster’. 'La belle au bois dormant' (De schone slaapster in het bos), zoals het verhaal oorspronkelijk heet, werd voor het eerst opgetekend in 1697 in de Sprookjes van Moeder de Gans door Charles Perrault. De gebroeders Grimm gaven het prinsesje voor het eerst een naam, Dornröschen, in hun "Kinder- und Hausmärchen". Ze voegden er een begin aan toe, waarbij de koning en de koningin een bad nemen in de vijver in de paleistuin en een kikker hen de geboorte van hun dochtertje voorspelt, en kortten het einde in. In Perraults versie is de moeder van de prins een reuzin die de twee kinderen van Doornroosje en de prins wil doden maar hierdoor uiteindelijk zelf komt te sterven.

De versie die uit de Vlaamse verteltraditie bekend is, bevat elementen uit zowel de versie van Perrault als de versie van Grimm; in Nederland is het sprookje in de orale traditie nooit opgetekend. De versie van Perrault zelf gaat terug op een verhaal uit de Pentamerone van Basile uit 1636. De versie van de Pentamerone is echter sterk verschillend: hier prikt Doonroosje zich aan hennepsplinter en wordt na honderd jaar in haar slaap bevrucht door de prins. Ze wordt pas wakker nadat een van haar kinderen de splinter uit haar vinger zuigt. De oorsprong van het sprookje moet wellicht worden gezocht in de Oudgermaanse mythe van de walkure Sigfrida, die zich prikt aan een slaapdoorn om door Sigurd weer tot leven te worden gewekt, nadat hij door een muur van vlammen is getrokken om haar te bereiken. De 14de-eeuwse Catalaanse tekst “Fayre de Joy e Sor de Placer” bevat eveneens een vergelijkbare basis. Hier is de vertelling opgetekend als “Troylus e Zellandine”.

De Efteling volgt in de verschillende sprookjesboeken de Grimmversie, te herkennen aan de naam Doornroosje, maar ook aan bijvoorbeeld de twaalf gouden borden waar de feeën van eten.

In de Efteling

Geschiedenis

Het affiche met de aankondiging voor de opening van het Sprookjesbos van Anton Pieck

Het kasteel van Doonroosje was dé grote trekpleister die door Anton Pieck ontworpen was voor de opening van het Sprookjesbos in 1952. Op het affiche voor de opening tekende Pieck een artistieke impressie van het kasteel, met op de voorgrond een van de herauten van De Magische Klok. Opvallend is dat het poortje onderaan de trap naar het kasteel op het affiche al voorzien is van dakpannetjes, terwijl het poortje in het park veel grover van vorm is. Pas in 1981 krijgt deze doorgang zijn huidige vorm.

Bouw van Doornroosje in 1952

Bouw van het kasteel

Op een kunstmatig aangelegde heuvel, aangemaakt met zand uit de omgeving, werden houten palen neergezet. Deze moesten de vijf torens van het kasteel construeren. Daarna werden de muren gebouwd, trappen aangelegd en werd de heuvel beplant met bomen en heesters. In het sprookje wordt het kasteel overwoekerd door rozenstruiken, maar in het Sprookjesbos is gekozen voor klimop omdat dat sneller groeit en langer groen blijft. Omdat de trappen niet toegankelijk zijn voor rolstoelers is er ook een alternatieve route aangelegd, met als toepasselijk bijschrift:

Zijt gij soms moe of slecht ter been,
Dan kunt g'ook langs het kasteeltje heen.

Een krantenartikel uit begin 1952 meldt dat Peter Reijnders van plan was in de avonduren een heks tussen de torens van het kasteel heen en weer te laten vliegen. Het idee is nooit tot uitvoering gebracht. Misschien maar goed ook, want het zou moeilijk in de context van het sprookje te plaatsen zijn.

Interieurs en inwoners

Anton Pieck begeleidt Doornroosje naar het Sprookjesbos

In 1952 was er alleen maar een kasteel, de interieurs volgden een jaar later. In 1953 werden naar ontwerp van Pieck de keuken met de slapende kok en zijn hulpje, de schildwacht en de slaapkamer van Doornroosje ingericht. Peter Reijnders bedenkt een ingenieuze techniek om Doornroosje te laten ademen. Door middel van binnenballen van voetballen en een nepbuste weet hij de borsten van de schone slaapster langzaam op en neer te bewegen waardoor de illusie van een dromende prinses wordt gewekt.

De grote renovatie

Spinnende boze fee
Toverkol

In 1980 blijkt dat het kasteeltje serieus begint te verzakken. De bouwmethodes waarmee het onderkomen van Doornroosje destijds is neergezet waren dan ook zeer primitief. De oude constructie bestond uit houten palen, gaas en veel stucwerk hieroverheen en was na jaren serieus aan vervanging toe. Ton van de Ven zegt daarover in een krantenartikel in 1982:

Hier zie je het paleis van de Schone Slaapster. In de vorige winter hebben we het oude gebouw moeten afbreken. Toen in 1951 werd begonnen met de aanleg van het Sprookjesbos, op de plek waar vroeger de hoeve Eersteling lag, rekende niemand erop dat de Efteling een blijvend succes zou worden. De muren van de gebouwen werden gemaakt van bomen, hier uit het bos gehaald. Men deed er steengaas omheen, afgewerkt met cement. De bomen zijn inmiddels tot pulp vergaan, dus we hebben de afgelopen jaren moeten vernieuwen. Nu bouwen we conventioneel; het nieuwe paleis kan heel wat langer mee dan z'n voorganger.[1]

Er wordt snel besloten om tijdens de winter van 1980/1981 het hele kasteel af te breken, van stevige fundering te voorzien en opnieuw op te bouwen, ditmaal met echte stenen. Ontwerper Ton van de Ven ziet hierbij de kans om wat toevoegingen te doen aan het sprookje. Er komt een animatronic-robot van de dertiende fee met haar spinnewiel en een nieuwe slapende schildwacht. Het interieur van de andere twee kamers wordt gedeeltelijk opnieuw ontworpen, waardoor helaas enkele fraaie slapende gezichten die als reliëf aangebracht waren op de schoorsteenmantel in de keuken verloren gingen.

Het kasteel krijgt een realistischer en robuuster uiterlijk. De torens krijgen een verweerder aanzicht, het pleisterwerk wordt in een andere stijl gedaan en ook de daken worden opnieuw gelegd. Het eindresultaat is een kasteel dat samen met het Spookslot getuigt van een periode in de geschiedenis van het park waarin de architectuur van een weergaloze kwaliteit was.

Latere aanpassingen

Voorheen liep men via de Heksenpoort recht op de poort voor de trappen van het kasteeltje af. In 1985 wordt de ingang tot het Sprookjesbos verschoven, waardoor men eerst een bocht moet maken voordat het kasteel te zien is. Langs het pad richting Doornroosje is dan een tweede paadje te vinden met bankjes en prullenmanden. Dit pad wordt opgeheven wanneer in de voormalige Siertuin Klein Duimpje en de Reus verschijnen in 1998.

In 1997 is de schildwacht geheel vernieuwd, en kreeg hij een veel gedetailleerder lichaam. In 1999 wordt aan de voet van de trap naar het kasteel het sprookjesboek toegevoegd waarop in vier talen een beknopte samenvatting van het sprookje van Doornroosje valt te lezen.

Omschrijving

Indeling

Kasteel van Doornroosje
Doornroosje is in diepe rust, maar ademt
De kok viel in slaap tijdens een ranseling

Het kasteel lijkt qua oppervlakte veel groter dan het daadwerkelijk is. Door de tactische plaatsing van vrijstaande (en ongebruikte) torens op de buitenmuur lijkt het op afstand een fors gebouw, terwijl het eigenlijk maar uit drie kleine, aangrenzende ruimtes bestaat: de slaapkamer van Doornroosje, het torenkamertje met de boze fee, en de keuken met de koks.

De centrale toren van het kasteel (waarin de boze fee huist) zorgt dat de bezoeker een ruime bocht maakt. Hierdoor is er gevoelsmatig een flinke afstand tussen de eerste twee ruimtes en de keuken.
De blinde muur naast de keuken is in feite de achterwand van de slaapkamer. De twee ruimtes zijn verbonden met een deur. Personeel kan de deur in de torenkamer gebruiken om binnen te komen en kan van daar naar elk van de drie ruimtes wanneer dat nodig is voor onderhoud.

Figuren

Slapende wachter
Slapende wachter
De slapende kok en koksjongen in de jaren 50

De volgende figuren zijn (op volgorde) te vinden in het sprookje

  • Slapende wachter, tegen een boom langs de trap
    De wachter is met speer en schild in slaap gedut aan de overkant van de beek die langs de trap naar beneden stroomt.
  • Doornroosje, in haar slaapkamer
    Dat prinsessen niet zomaar in elkaar zakken blijkt wel uit deze scène. Doornroosje is naar haar slaapkamer gegaan en heeft het bloeddruppeltje aan haar vinger gedept met haar zakdoekje. Daarna heeft ze zich zachtjes op haar bed neergevleid.
  • De boze fee, spinnend in het torenkamertje
    De fee is een verschrompeld oud vrouwtje, gehuld in lompen. Ze heeft een heel wat mottiger uiterlijk dan de door Anton Pieck getekende statige figuur in 'Sprookjes van de Efteling'.
  • Kraaien, slapend boven de binnenpoort
  • Kok en koksjongen, in de keuken
    Ze zijn spontaan in slaap gevallen terwijl de jongen op het punt stond een draai om z'n oren te krijgen.

Kenmerken

Het sprookje bevat diverse elementen die herkenbaar terugkomen in andere delen van de Efteling, of in ander werk van Pieck.

  • Decoratieve schildjes met Franse lelies sieren de toegangspoort en verbergen de speakers bij het torenkamertje. Dit schildje is door Eftelist geadopteerd als logo.
  • De weergave van Doornroosje op het bed, de tekening op de muur en het glas-in-lood raampje op de achterwand komen terug op een tekening die Pieck maakte voor het boek De Sprookjes van Grimm.[2]
  • De slapende kraaien vertonen qua vormgeving veel overeenkomsten met de kraai aan de toegangspoort van het Herautenplein, de kraai bij Opa Gijs en in het kasteeltje van de stiefmoeder van Sneeuwwitje.

Media

De ligging van het kasteel, op een heuvel vlak achter de ingang van het Sprookjesbos, was zo gezichtsbepalend dat Pieck verschillende gestyleerde uitvoeringen heeft gemaakt van dit beeld voor gebruik op folders en kaarten.

Het kasteel van Doornroosje staat afgebeeld op een van de tien Efteling Dukaten van Ezeltje Strek Je. In de Efteling wordt het sprookje niet verteld, maar je vindt het wel terug op de plaat Sprookjes van de Efteling - deel 3 en tevens de derde cd met Efteling-sprookjes (CNR 100.390-2). Op de recente hoorspelen is het sprookje te vinden op Efteling Sprookjes 1 uitgebracht door ReDi Entertainment. Het staat in alle bekende sprookjesboeken van de Efteling: Het Efteling Sprookjesboek, Sprookjes van de Efteling en Sprookjesboek van de Efteling. De Sprookjesshow die in 1996 en 1997 in het park liep, sloot de voorstelling af met dit sprookje. In het Efteling Theater stond in de winter 2003-2004 de musical “Doornroosje” op de planken. Het was de eerste avondvullende voorstelling die het park buiten haar reguliere openingstijden plande. Doornroosje is ook opgenomen in de tv-serie “Sprookjes”, en te vinden op de tweede dvd hiervan. Scènes van de serie zijn opgenomen bij en in het kasteel zelf, maar ook in het Victoriaans Theater van het Carrouselpaleis.

Wetenswaardigheden

  • Ton van de Ven was als kind, bij zijn eerste bezoek aan de Efteling, het meest onder de indruk van de grote karpers in de vijvers van het park, én de bewoners van het kasteel van Doornroosje.
  • De slapende wachter heeft buitengewoon grote handen. Dit valt vooral goed te zien aan de rechterhand die absoluut niet in verhouding is met de rest van zijn lichaam.
Gedicht van de prins na 50 jaar slapen
  • In het 50e jubileumjaar werd gesuggereerd dat de prins al even langs was geweest. Achter het venster lag een perkament met het volgende opschrift:

Och ligdh nu en slaept
Mijn uutverkoren bloeme?
Och ligdi nu en slaept
In uwen eersten droome?
Ontwect u, soete lief,
Wilt voor u vehnster comen!
Staet op lief! Wilt ontfaen
Een men met sinen bloemen
 
Je Prins
 
Mijn lief tot over 50 jaeren

  • Er is een neurologische aandoening genoemd naar dit sprookje. Het 'Schone Slaapstersyndroom', officieel 'Kleine-Levinsyndroom' genoemd, is een zeldzame aandoening waar ongeveer 1 op de miljoen mensen aan lijden. Het belangrijkste symptoom is dat de patiënt heel veel slaapt (hypersomnia). Sommige lijders slapen tientallen dagen achter elkaar en worden tussentijds alleen wakker om te drinken en te plassen.


Verwijzingen
  1. 'In de Efteling komt de 1001 nacht langzaam tot leven', De waarheid, 24-02-1982
  2. De Sprookjes van Grimm, 1942, uitgeverij Van Holkema & Warendorf, ISBN 90 269 0969 1.