Kabouterdorp
Intro kabouterdorp.jpg
Het grote Kabouterhuis
Geopend 1952
Gebaseerd op De Gouden Stemvork / Het Kabouterdorp
Opgetekend door Martine Bijl / Gerrie van Dongen en Ad Grooten
Ontwerp Anton Pieck, Ton van de Ven
Muziek Menuet (G-dur)
Figuren 13
Vorige Doornroosje
Volgende De Zes Dienaren
Sprookjesbos, overzicht

Het Kabouterdorp is het tweede sprookje op de route in het Sprookjesbos. Het toont verschillende paddenstoelenhuisjes waar het leven van de kabouter, een bekend mythologisch wezen uit volksverhalen, zich afspeelt. De verschillende scènes zijn gebouwd tussen 1952 en 1980 naar ontwerpen van Anton Pieck, Ton van de Ven en Henny Knoet

Het tafereel behelst niet een uitbeelding van een enkel bestaand sprookje over kabouters, maar er zijn later door de Efteling wel twee verhalen specifiek voor het Kabouterdorp geschreven: De gouden stemvork en Het kabouterdorp.

Omschrijving

Paddenstoelendorp

Paddenstoelenparcours

Het eerste tafereel dat men tegenkomt wanneer men vanaf Doornroosje het Kabouterdorp betreedt, bevindt zich aan de rechterzijde van het klinkerpad. Voor de kinderen is hier een kort zijpaadje gesitueerd met een drietal paddenstoelen met lage doorgangen waar ze doorheen kunnen lopen. Tevens is hier een klein picknicktafeltje, hangt er een waslijntje met kabouterkleren en is er een klein bruggetje aanwezig over een vijvertje. Ouders worden gemaand te wachten met het legendarische rijmpje

 Hier moeten ouders stillestaan
 Kinderen mogen verder gaan

Het rijmpje is te vinden op een hartvormig bordje dat aan een laag houten poortje hangt aan het begin van het parcours.

De Kabouterboom met Muziekkabouter

Muziekkabouter
Muziekkabouter

In de holle boom, tussen het paddenstoelenparcours en het Grote Kabouterhuis, vinden we de muziekkabouter. De boom, waar een griezelig gezicht in te herkennen is, is voor kinderen een geliefd klimobject. Tussen de wortels zijn twee ruitjes te vinden, op hoogte van kleine kinderen maar voor volwassenen alleen in te kijken door door de hurken te gaan. Binnen kunnen we een scène vinden met een klavecimbel spelende kabouter die het Menuet in G majeur speelt, terwijl een baardloze kabouter achter hem zo nu en dan van achter een deurtje komt toekijken. De opgestelde partituur is echter niet die van het Menuet dat hij speelt: erboven staat in sierlijke letters: Per Jocum. Opus II (Latijn: "Voor de grap, tweede werk").

De muziek weerklinkt uit alle Muzikale Paddenstoelen in het Sprookjesbos. De eerste van de twintig op de route is te vinden naast de Kabouterboom. De suggestie wordt gewekt dat het dus deze kabouter is die de muziek produceert die uit de paddenstoelen komt. Uit de paddenstoelen komt in wintertijd muziek waaraan kerstbelletjes zijn toegevoegd; om dit weer te laten 'kloppen' met het tafereel in de boom wordt sinds 2012 in de Winter Efteling een viertonig klokkenspel geplaatst dat mechanisch verbonden lijkt met het klavecimbel.

Het loze vissertje en het schrijvertje

Vissende kabouters

Aan de andere zijde van het pad vinden we, onder een overhangende paddenstoel, een kabouter die zit te vissen, ingedommeld in een bootje in het vijvertje dat zich rondom de paddenstoel bevindt. Wanneer je hem roept via de microfoon boven het bordje waarop te lezen valt:

 En nou niet schreeuwen kleine apen
 Laat mij nu eens rustig slapen

schrikt hij wakker. Z’n ogen staan dan wijd open en kijken met een verbaasde blik richting de persoon bij het bordje. Het vissertje heeft een hengeltje met een dennenappel als dobber. In zijn hand houdt hij een grote groene fles. Kenmerkend is ook de flinke pukkel op zijn wang. Aan de kant van de vijver, naast het deurtje, is een andere kabouter te zien die bezig is zijn pijp te stoppen.

Het paddenstoelenhuis bij avond

Het paddenstoelenhuisje zelf bestaat uit een langwerpige paddenstoel met een kleine poort en een trap omhoog, waar kinderen makkelijk doorheen kunnen, maar volwassenen alleen gebukt in kunnen komen. Via een smal houten bruggetje kom je dan uit in de bovenverdieping van een grote bolle vliegenzwam. In deze ruimte is een scène van een schrijvende kabouter van achter glas te bekijken.

De schrijvende kabouter
Schrijvende kabouter

Aan de houten tafel is een kabouter te zien met een brilletje op die met een pennenveer aan het schrijven is. Af en toe kijkt hij over zijn schouder naar de mensen achter het glas, om vervolgens weer door te gaan met pennen. Vlakbij hem is een eekhoorn te zien die hij als huisdier houdt. Tussen de boeken over paddenstoelen, sprookjes en geneeskrachtige kruiden die rond de schrijvende kabouter te zien zijn is een boek te vinden dat geschreven is door A. Vendervan, een anagram van ontwerper (An)ton van de Ven. De titel van het boek is O+O, wat de afkorting is voor Ontwerp en Ontwikkeling, de afdeling waar Ton van de Ven leiding aan gaf. In de scène zijn meer boeken te vinden met titels en teksten die verwijzen naar zaken in de Efteling. Zo lag er vroeger een perkament met een tekst over Draak Lichtgeraakt. In 2012 werden boeken toegevoegd met een kikker op de rug, een boek over toversla en een boek met de titel “Formula Aquanura”. Op een nieuwe perkamentrol staat de nieuwjaarswens: '... en een harmonieus nieuw jaar', in het Engels, Duits, Frans, Spaans, Italiaans en tenslotte in het Nederlands, ondertekend door Jeff & Dona Bertus. Jeff Bertus was lange tijd de directeur van de Club van Elf, Dona is zijn vrouw. We zien ook het bedje van de kabouter, het kooitje voor de eekhoorn en een stoof. Op de achtergrond klinkt rustgevende speeldoosmuziek.

Aan de andere zijde van de ruimte vinden we een raam met luiken en een vensterbank dat uitzicht geeft over het Kabouterdorp. Vanaf de grond ziet men je hier uit de paddenstoel kijken, waardoor het vooral voor (groot)ouders een geliefde locatie is voor het nemen van een foto van de (klein)kinderen. De bovenverdieping van de paddenstoel is weer te verlaten via een houten trap.

Het Kabouterhuisje met het waterrad

Het huisje met het waterrad

Als je de houten trap achter je laat kom je op een klein pleintje langs een waterstroompje, dat een waterrad aandrijft dat we aan de zijkant van een kabouterhuisje voor ons zien. Via een klein stenen trapje kom je voor het huisje te staan, dat opvallend genoeg een stenen huisje betreft, met een dak van pannen en een bruine langwerpige paddenstoelenhoed aan de rechterkant. Voor het huisje is een klein bruggetje te vinden en een hekje met een krukje. Het is het tweede interactieve element in het Kabouterdorp: als je het hekje probeert open te doen, komt een kaboutermannetje kijken, al lijkt hij de bezoekers niet te kunnen zien. De deurkabouter zegt:

Toediedoedidoe...
Hé, nee, nee, daar is toch niemand voor mij. En daar ook niet!
Nouja, zal 'k me wel vergist hebben.

In de Winter Efteling is zijn zicht beter, of worden we verraden door onze silhouetten in de sneeuw, want dan zegt hij (met de stem van Karel Willemen):

Jalalala, Jalalala...
Brrr, hé, kijk nou, daar staan allemaal mensen, buiten in de kou.
Nou, mij niet gezien! Brrr, ik ga gauw weer naar binnen.

Wassend vrouwtje

We komen deze interactie met een krukje aan een hekje later in het bos ook tegen bij Hans en Grietje, hoewel die veel eerder aan het bos werd toegevoegd.

Rechts van het deurtje zien we voor het huisje een kaboutervrouwtje, de enige in het hele dorpje, de was te doen. Ze staat onder een afdakje van stro op een houten vlondertje boven het stroompje haar wasgoed op een wasbord uit te schrobben. In de tobbe is een flinke laag schuim aanwezig. Boven het kaboutervrouwtje hangt een waslijntje.

Het Grote Kabouterhuis met de rustende kabouters

Het Grote Kabouterhuis

Als laatste onderdeel van het Kabouterdorp, voordat de route zich verder begeeft naar het sprookje van De zes dienaren, is een huisje te zien met een gelijkvloerse doorloop. Het is opgebouwd uit kalksteen en gips. Tegen de buitenmuur zit een vissende kabouter onder een paraplu en zien we een kabouter op het balkon uit een raampje naar buiten kijken. Op het dak van het huisje is een windvaantje met een kabouter er op te zien en een klokkentorentje met een bel die met enige regelmaat klingelt. Aan de linkerkant is een loden schoorsteentje te zien dat, volgens een bekende anekdote, door Mari van Heumen naar eigen zeggen met een houten hamer is bewerkt in opdracht van Anton Pieck om 'm een authentiek uiterlijk te geven.[1]

Rustende kabouters
Speeldoosje
Rustende kabouters

Het huisje is via twee poortjes te betreden, aan de linker- en aan de rechterzijde. Boven het poortje aan de linkerzijde hangt een hoefijzer, en naast het poortje aan rechterzijde is een niet beweegbare bel te vinden. In het huisje kunnen we via twee openingen met tralies naar buiten kijken. Achter glas zijn vier kabouters te zien die slapen of rustend met een pijpje luisteren naar een speeldoos. Twee kabouters liggen in bed: eentje geheel links in een bedstee. De andere, uiterst rechts in een losstaand ledikant, heeft een flinke griep te pakken. Een ander is aan het dommelen in schommelstoel. De enige kabouter die nog wakker lijkt te zijn heeft het boek Anton Pieck en de wonderbaarlijke geschiedenis van de Efteling voor zich open liggen (de pagina verschilt ieder jaar) en op de tafel ligt de Efteling Kabouter Courant. Het interieur bestaat verder uit doorgezakte ruwe balken in het plafond, een gevulde kromme boekenplank en een antieke potkachel.

Dit huisje wordt gezien als één van de mooiste elementen in het Sprookjesbos en bevat veel kenmerken die tegenwoordig als 'Eftelings' worden gezien. O.a. de kenmerkende speeldoosmuziek die hier klinkt en de Pieckmuisjes treden in dit huisje voor het eerst op. Eén van de muisjes staart naar een stuk brood op een krukje en maakt om de paar seconden een grote sprong om er bij te kunnen komen.

Geschiedenis

1952-1971

Paddenstoelendorp in 1952
Ouders moeten stillestaan...

Bij de opening van de Efteling in 1952 was het het doorloopje het enige deel van het Kabouterdorp. Er is geen kabouter in te vinden, en daarom werd de 'attractie' diplomatiek aangekondigd als Paddestoelendorp. Het wegwijsbord langs de sluiproute om het kasteel van Doornroosje verwijst daarom nog naar het Kabouterdorp als de Paddestoelen. In het openingsjaar was overigens verderop in het Sprookjesbos wel al de kabouter Kleine Boodschap te vinden.

1972-1979

De Kabouterboom in 1974
Grote Kabouterhuis in 1978

Het Grote Kabouterhuis was het eerste huis met bewoners dat in het dorpje werd geopend, in 1972. Het werd ontworpen door Anton Pieck, maar de uitvoering is gedaan door Ton van de Ven. De holle boom en de scène van de muziekkabouter volgden twee jaar later.

1980-heden

Anton Pieck en Ton van de Ven bekijken de bouwvorderingen aan het Kabouterdorp tijdens de winter van 1979-1980.

In 1980 werd het Kabouterdorp danig uitgebreid. Onder leiding van Ton van de Ven worden twee nieuwe huisjes verwezenlijkt aan de andere zijde van het pad. Het paddenstoelenhuis van de schrijvende kabouter wordt gebouwd op de plek waar voorheen een schuilhut was te vinden. Het exterieur werd overigens nog ontworpen door Anton Pieck, maar de scène binnen is geheel een ontwerp van Ton van de Ven. Het huisje met het waterrad is eveneens een ontwerp van Anton Pieck dat door Ton van de Ven werd uitgevoerd. Op het oorspronkelijke ontwerp van Pieck valt te lezen dat het huisje eigenlijk bedacht was voor tussen de Kabouterboom en het Grote Kabouterhuis. De uitbreiding wordt in 1980 geopend door Anton Pieck en Martine Bijl in aanwezigheid van burgemeester Fievez van Loon op Zand.

Opening van het kabouterdorp in 1980: burgemeester Fievez en Anton Pieck

Het wasvrouwtje is echter geen ontwerp van Pieck of Van de Ven, maar van Henny Knoet. Op een illustratie die Knoet van het Kabouterdorp maakte in 1979 is ze al te zien. Terwijl Van de Ven tijdens de bouw van het dorp op vakantie was bedacht de decoratie-afdeling om ook het wasvrouwtje te maken: iets waar Van de Ven waarschijnlijk niet geamuseerd door was toen hij terugkwam. Het is jammer dat het zicht op het huisje gehinderd wordt door het afdakje, dat nodig is om de kabouter droog te houden. Anderzijds is het wasvrouwtje wel een kenmerkend onderdeel van het Kabouterdorp. Zo vertegenwoordigt ze het Kabouterdorp al jaren fier in het fotoboekje. In aflevering 5-23 van Ochtend in Pretparkland vertelt Erwin Taets dat hij het zich herinnert als één van zijn prilste Efteling-herinneringen.[2] In het Sprookjesboek van de Efteling werd het Wasvrouwtje plots 'Tobbelientje' genoemd.[3] Later werd dezelfde naam ook voor merchandisedoeleinden gebruikt.

De toevoegingen van 1980, inclusief het wasvrouwtje, zijn al te zien op deze tekening van Henny Knoet uit 1979

In de loop van de jaren 90 is het rad zodanig uit evenwicht geraakt dat het steeds vaker stil kwam te staan. Contragewichten en zelfs het verwijderen van een plank mochten niet baten. Uiteindelijk werd in 2000 het hele gebouwtje gerenoveerd, waarbij er ook uiterlijk nogal wat aan veranderde. Het rad draait sindsdien weer prima.

Een leuke anekdote die opdook tijdens het vijftig jarig bestaan van het park is dat er bij de opening van het Kabouterdorp nog geen kleding was om aan het waslijntje te hangen, waarop Mari van Heumen snel naar huis ging om wat kleren van zijn kinderen te halen en op te hangen aan het lijntje. [1]

De kabouters

Zie voor meer informatie Kabouter

Oorsprong

Dit tweede sprookje op de wandelroute van het Sprookjesbos is niet gebouwd naar aanleiding van een bestaand verhaal, maar laat het leven zien van de kabouter, één van de bekendste mythische wezens in de Westerse wereld. Kabouters komen in Angelsaksische, Scandinavische en Germaanse sprookjes, sagen en legenden regelmatig voor als baardige, oude aardgeesten met het postuur van een klein mannetje. Het woord kabouter komt van het Middel-Nederlandse “cobout”, dat “huisgeest” betekent. De eigenschappen en eigenaardigheden die aan de kabouter en aanverwanten worden toegeschreven verschillen nogal van streek tot streek, waardoor ze afwisselend in een kwaad en goed daglicht staan. In veel vertellingen echter, zijn kabouters weinig zichtbare wezens die de armen en behoeftigen helpen. Het bekendst zijn de verhalen waarin ze hulp bieden aan hen die met onmogelijke opdrachten worden opgezadeld, door ’s nachts bergen werk te verzetten als schoenen maken, koren malen en manden vlechten. Hier komt de Nederlandse uitdrukking “Dat hebben de kaboutertjes gedaan” vandaan. Dit motief wordt ook gebruikt in het eerste sprookje van drie in het verhaal De kabouters uit de Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm.

Literatuur

De gebroeders Grimm hebben meer sprookjes opgenomen in hun sprookjesbundel waarin kabouters een rol spelen. De kabouter uit Het aardmannetje is een nogal driftig en onaangenaam exemplaar, maar De drie mannetjes in het bos houden er een Vrouw Holle-achtig rechtvaardigheidsbesef op na. Het vlijtige meisje dat zonder morren hun stoepje veegt belonen ze met een mond vol gouden dukaten. Veel kleine valse ventjes uit de sprookjes van Grimm zijn overigens geen kabouters, maar eerder demonen of personificaties van de duivel. Repelsteeltje uit het gelijknamige sprookje is hier een schoolvoorbeeld van.

In de literatuur zijn vooral illustrator Rien Poortvliet en co-auteur Wil Huygen de laatste decennia van enorme invloed geweest op het beeld dat men in de Nederlanden van de kabouter heeft. Hun welhaast wetenschappelijke fictie over een superieure kaboutermaatschappij, levend in harmonie met de natuur, vindt nog altijd gretig aftrek en leverde als spin-off zelfs een populaire tekenfilmserie uit eind jaren tachtig, David de Kabouter, op.

Kabouters in de Efteling

Het persoonlijk sprookje in 2012

In de Efteling is een dertiental kabouters te vinden in het Kabouterdorp, maar ook daarbuiten zijn de aardmannetjes present. De bekendste is de baardloze kabouter Kleine Boodschap, die vlakbij het Herautenplein al sinds de opening van het Sprookjesbos op een stenen muurtje zit en gasten naar de toiletten wijst. Op de daken van de huisjes van Speeltuin Gijs en Geeuwende Gijs vinden we eveneens baardloze kabouters, als ook de drie hoofden die ter decoratie op de klok van de zeven geitjes bevinden. Het klassieke Eftelingwapen wordt door twee kabouters gedragen. Vroeger maakte Anton Pieck veelvuldig gebruik van kabouters in grafische ontwerpen voor het park. Ze doken op op menukaarten, wegwijzers, brochures en parkeerstickers. Tegenwoordig spelen kabouters nog steeds een grote rol binnen de Efteling. Ze zijn een geliefd onderwerp voor de cover van het jaarlijkse fotoboekje en de verschillende sprookjesboeken van het park. De kabouters hebben een grote rol in Sprookjesboom. Voor de campagne van het persoonlijk sprookje in 2012 werd een kabouter gebruikt als de schrijver van het souvenir.

De sprookjes

Hoewel het Kabouterdorp bestaat uit losstaande tafereeltjes die niet zijn gebaseerd op een verhaal, schreef Martine Bijl het sprookje De gouden stemvork [4] speciaal voor Sprookjes van de Efteling. Het verhaal staat in beknopte versie te lezen in het sprookjesboek dat staat opgesteld bij de kabouterboom. Het is in het recentste sprookjesboek Sprookjesboek van de Efteling niet opgenomen, daarvoor in de plaats werd een nieuw verhaal geschreven getiteld Het kabouterdorp.

De gouden stemvork

Het sprookje

In een klein welvarend land leefde een koning met drie mooie dochters. Twee van die dochters waren bijzonder muzikaal, maar de jongste, Estrella, was dat bepaald niet. Ze kon geen noot zuiver zingen en bij het dansen struikelde ze tien keer over haar eigen voeten. De koning zond zijn minister van Vrolijke Zaken er op uit om een muziekonderwijzer voor haar te vinden. De minister had echter weinig zin om de reis te maken en gaf de opdracht door aan de klokkenluider, die op zijn beurt de opdracht doorgaf aan poortwachter. Ook hij zag er geen heil in om een man te vinden die toch onvindbaar zou zijn, maar op dat moment kwam de hofmandenmaker voorbij. De poortwachter drukte hem een zilverdukaat in de hand en kreeg zo de opdracht om voor de koningsdochter een muziekonderwijzer te vinden.

De volgende dag vroeg de koning aan de minister waarom hij nog niet weg was om een muziekleraar voor Estrella te vinden. Toen hij hoorde hoe hij de opdracht had doorgegeven aan de klokkenluider, werd de minister op staande voet ontslagen. De mandenmaker kon ondertussen niemand vinden die het aandurfde om te a-muzikale prinses te onderwijzen. Totdat hij in een lieflijk kabouterdorpje kwam, waar de mooiste muziek weerklonk. Er stond zelfs een holle boom waar een kabouter in zat achter een klavecimbel. Eén van de kabouters vertelde de mandenmaker dat ze muzikabouters waren en dat ze alles wisten van zijn opdracht. Omdat hij als enige paraat was om te zoeken naar een muziekonderwijzer, kreeg hij van de muzikabouter een gouden stemvork, waarmee hij de koningsdochter kon betoveren.

De mandenmaker ging terug naar het paleis, waar op dat moment een groot feest gevierd werd. Hij sloeg de stemvork op een voorwerp, vlakbij de prinses, die op dat moment geweldig kon dansen. Bij een tweede slag met de stemvork klonk er een prachtig lied uit het keeltje van de koningsdochter. Vanaf dat moment danste zij zo sierlijk als een ballerina en zong zij zo zuiver als een nachtegaal. De mandenmaker besloot om het hele verhaal aan de koning te vertellen, die daarop de mandenmaker aanstelde als zijn nieuwe minister van Vrolijke Zaken. De koning stuurde de muzikabouters iedere week een kistje van zijn beste wijn. En uiteindelijk trouwde Estrella met de nieuwe minister van Vrolijke Zaken.

Oorsprong

Er zijn ontelbaar veel sprookjes bekend waarbij een betoverd object de oplossing tot een probleem vormt. In de Kinder- und Hausmärchen van de gebroeders Grimm zijn voorbeelden te vinden als Tafeltje dek je, ezeltje strek je, knuppel uit de zak, De raaf en De ijzeren kachel. Het meest leentjebuur lijkt Martine Bijl te hebben gespeeld bij het sprookje Zwaan kleef aan. Daarin is een prinses ongelukkig en kan pas weer aan het lachen worden gemaakt wanneer de onhandige jongste zoon van een houthakker met de hulp van een klein mannetje een gouden zwaan of gans vindt, waar een hele stoet mensen aan vast komt te zitten.

Martine Bijl maakt in haar bewerking slechts sporadisch gebruik van het Kabouterdorp. De focus in het verhaal ligt niet op de kabouters en/of het dorpje, het dient enkel als het decor waar de mandenmaker de muzikale kabouters vindt en de gouden stemvork overhandigd krijgt, om vervolgens weer snel richting het paleis van de koning te vertrekken. Ten tijden dat dit sprookje geschreven werd (1974) bestond het Kabouterdorp slechts uit een huis, de holle boom en het paddenstoelenparcours.

Het kabouterdorp

Het sprookje

Schets van Anton Pieck voor het paddenstoelendorp, gebruikt ter illustratie in Sprookjesboek van de Efteling

Er was eens een kaboutervolkje dat midden in een groot bos woonde. Hun dorpje bestond uit kleine stenen huisjes, grote woonpaddenstoelen en een holle boom. In die boom woonde Riedeltje, de muziekkabouter van het dorp. Hij speelde elke dag de prachtigste melodieën op zijn piano, die via bijzondere muziekpaddenstoelen door het hele bos te horen was. Speciaal voor het lentefeest had Riedeltje een nieuw liedje gemaakt.

De volgende dag had Riedeltje hoofdpijn. Dat kwam vast door de vlierbessenwijn van de avond daarvoor. Riedeltje strompelde naar buiten voor wat frisse lucht, maar "Pats!"… de deur viel achter hem in het slot. "Dom van me", zei hij. "De sleutel ligt nog binnen." Hij duwde hard tegen de deur, maar helaas, deze ging met geen mogelijkheid meer open. Riedeltje ging daarom in het dorp zoeken of een andere kabouter hem kon helpen de deur open te krijgen.

Hij gluurde naar binnen bij het dichtstbijzijnde huis, maar daar zag hij enkel slapende kabouters. Sommige lagen in bed en een lag zelfs in een schommelstoel te dutten. Hij besloot verder te zoeken en kwam bij de beek waar een kaboutervrouwtje de was deed. Het was Tobbelientje. Nog voor Riedeltje zijn probleem kon uitleggen, vertelde ze dat ze het te druk had, maar dat hij het maar moest vragen aan Druppel. Riedeltje klopte op de deur, maar nog slaperig kwam Druppel naar buiten en dacht niemand te zien. “Dan zal ik me wel vergist hebben,” mompelde hij en ging weer terug naar bed.

Zo kwam Riedeltje ook bij Dobbertje die aan het vissen was, Krabbel de schrijfkabouter, maar niemand die hem kon helpen of zelfs naar zijn probleem wilde luisteren. Alle kabouters hadden hun smoesje klaar. Riedeltje werd er moedeloos van en besloot een wandelingetje te gaan maken. Bij een meertje ging hij in het gras liggen en viel in slaap. Ondertussen begon het de andere kabouters op te vallen dat het zo stil was in het dorp. Waar was de muziek uit de paddenstoelen? En waar was Riedeltje? Ze besloten naar de holle boom te gaan. Maar Riedeltje was er natuurlijk niet. Toen werden de kabouters pas echt ongerust. "We moeten de deur open zien te krijgen", sprak een kabouter en ze verzamelden al hun kracht. Ze beukten de deur open, maar Riedeltje was nergens te bekennen. Daarop kwam Riedeltje aanlopen en bedankte de kabouters voor het openmaken van de deur. Hij ging achter zijn piano zitten en zong zijn nieuwe lied.

Oorsprong

Als sprookje komt dit verhaal minder sterk over dan De gouden stemvork. Het verhaal lijkt dan ook vooral een poging te zijn om alle elementen van de uitbeelding van het Kabouterdorp in de Efteling te gebruiken. De kabouters hebben zelfs namen en er wordt een verklaring gegeven voor hun houding of bezigheid.

Meer kabouterverhalen

Hommage aan het Kabouterdorp in tv-serie Raveleijn
  • Ook op de langspeelplaten Sprookjes van de Efteling komen de kabouters terug. Op LP nummer zeven staat het hoorspel Het Kabouterhuisje. Op LP nummer 8 staat De Kabouterboom. In de hoorspelen van LP nummer negen, Spoken op de Efteling, figureert ook een aantal kabouters.
  • In het boek Anton Pieck en de wonderbaarlijke geschiedenis van de Efteling[5] geeft Martine Bijl de hoofdrol van het verhaal aan kabouter Efteling. Anton Pieck tekende voor deze uitgave een hele reeks nieuwe kabouterillustraties.