De Zes Dienaren
Intro zesdienaren.jpg
Langnek
Geopend 1952
Gebaseerd op De Zes Dienaren
Opgetekend door Gebroeders Grimm
Ontwerp Anton Pieck
Techniek Peter Reijnders
Muziek In the Moonlight, Albert Ketèlbey
Ingesproken door Peter Reijnders
Figuren 1
Vorige Kabouterdorp
Volgende Roodkapje
Sprookjesbos, overzicht

De Zes Dienaren is het derde sprookje op de route in het Sprookjesbos, tussen het Kabouterdorp en Roodkapje. Het is één van de eerste sprookjes van het Sprookjesbos en was er al bij de opening daarvan in 1952. Het verhaal werd opgetekend door de gebroeders Grimm in 1819 voor hun Kinder- und Hausmärchen onder de titel Die sechs Diener. In Nederland is het sprookje vooral bekend door de prominente aanwezigheid van Langnek in de Efteling.

De dienaar zit in het park op een rots, strekt zijn nek en kijkt rustig om zich heen. De uitbeelding van het sprookje bestaat echter naast de iconische figuur ook uit een galerij met daarop de buste van een andere dienaar uit het sprookje: Kogeloog. Onder het afdak hangen de portretten van alle zes de dienaren uit de titel. Het verhaal wordt verteld door Peter Reijnders.

Het sprookje

Samenvatting

Er was eens, heel lang geleden in een verafgelegen land, een boze koningin. Ze had een stiefdochter, een bloedmooie prinses die al door talloze prinsen van overal ter wereld ten huwelijk was gevraagd. Dat het meisje nog steeds niet getrouwd was had alles te maken met haar stiefmoeder: de boze koningin gaf iedere prins die om de hand van de prinses kwam vragen een opdracht die zo moeilijk was, dat ze die zo goed als zeker met de dood bekochten.

Op zekere dag klopte weer een prins aan bij het paleis van de koningin. Hij was vergezeld van zes dienaren, die hij op weg naar het kasteel was tegengekomen. De eerste, Putoor, had zulke grote oren dat hij alles kon horen wat er ter wereld werd gezegd. De tweede, Springkuit, had zulke lange benen dat hij in een uurtje de hele wereld rond kon lopen. De derde dienaar, Heuvelbuik, had zo'n grote buik dat hij hele oceanen in één teug kon leegdrinken. De vierde, Kogeloog, moest steeds een blinddoek om: zijn blik was zo sterk dat alles waar hij naar keek in duizenden stukjes uit mekaar viel. De vijfde dienaar heette Koukleum: hoe warmer het werd, des te kouder hij het had. En de zesde, Langnek, had een nek die hij zo lang kon uitrekken dat hij alles ter wereld kon zien. Samen met deze zes dienaren, toog hij tot bij de koningin en vroeg haar dochter ten huwelijk.

De opdracht die de prins moest uitvoeren was echter niet makkelijk: de koningin had de prinses namelijk verborgen en als hij haar binnen een kwartier tot bij de koningin kon brengen, dan pas mocht hij met haar trouwen. Langnek rekte zijn nek uit en zag dat ze aan het andere eind van het koninkrijk zat, en Putoor, die zijn oor tegen de grond hield, kon haar horen huilen. Springkuit nam de prins op zijn rug, Koukleum en Kogeloog onder zijn ene arm en Heuvelbuik onder zijn andere, en begon te rennen naar de plek waar de koningin de prinses verborgen had. Onderweg werden ze de weg versperd door een groot water, dat Heuvelbuik leegdronk. Even verder kwamen ze bij een grote rots waar ze niet overheen konden. Kogeloog nam zijn blinddoek af en deed de rots in duizenden stukjes uit elkaar spatten. Ten slotte kwamen ze bij een enorm groot vuur. Koukleum hoefde maar één keer met zijn koude adem te blazen, en het vuur was gedoofd.

Met de prins en de prinses op zijn rug en de andere dienaren onder zijn armen, snelde Springkuit nu terug naar het kasteel van de koningin. Hij was net op tijd terug vooraleer het kwartier verstreek. De boze koningin werd zo ziedend toen ze de prinses terugzag, dat ze van woede in rook opging. De prins bedankt zijn zes dienaren, die terug de wijde wereld introkken, en samen met zijn prinses leefde hij nog lang en gelukkig.

Oorsprong

Ansicht met illustratie van Anton Pieck.

Het sprookje van De zes dienaren is een klassiek voorbeeld van een oud volksverhaal waarin een raadsel wordt opgegeven dat moet worden opgelost om tot een goed einde te komen. Een ander voorbeeld van een dergelijk motief in een sprookje vinden we bijvoorbeeld in Repelsteeltje. Het sprookje komt oorspronkelijk uit de omgeving van Paderborn, in het westen van Duitsland. De enige bekende Nederlandse schriftelijke versie van dit sprookje is te vinden in de Enkhuizer Almanak van het jaar 1725. Het sprookje werd door de gebroeders Grimm onder de titel Die sechs Diener gepubliceerd in 1819 in hun Kinder- und Hausmärchen. In de Angelsaksische wereld staat dit sprookje bekend onder de titel The Extraordinary Companions.

Bij Grimm is ook nog een variant van het verhaal opgenomen onder de titel Sechse kommen durch die ganze Welt (Met z’n zessen de wereld rond) . Dat verhaal gaat over een soldaat die met zijn helpers wraak wil nemen op een koning. Springkuit moet het opnemen in een loopwedstrijd tegen de koningsdochter, maar omdat hij zo hard gaat dat de koningsdochter een enorme achterstand weet op te lopen, besluit hij even wat te rusten. Hij valt in slaap op een rots. Langnek heeft dit gezien en wanneer de prinses hem bijna heeft ingehaald, verbrijzelt Kogeloog de rots waarop Springkuit in slaap is gevallen, zodat die alsnog de wedstrijd wint. Ook in de volgende opdrachten komen de andere dienaren de soldaat te hulp. Uiteindelijk gaan ze er van door met al het goud van de koning.

De oorsprong van De zes dienaren is te vinden in de Griekse Argonautensage, waarin Jason het wonderschip Argo bouwt en vele dienaren met allerlei bijzondere eigenschappen meeneemt, waarmee hij uiteindelijk het Gulden Vlies in bezit krijgt en kan trouwen met prinses Medea. De eerste variant van het sprookje zoals we dat kennen uit de Efteling, vinden we terug in de 17de eeuw in de Pentamerone van Giambattista Basile. Het is tegenwoordig in Europa in verschillende versies bekend, waarbij de dienaren ook anderen namen kunnen dragen als Bonenstaak (Langnek), Luisterman (Putoor), Blinddoek (Kogeloog) en Dikzak (Heuvelbuik). In het sprookjesboek Sprookjes van de Efteling, blijft Martine Bijl de Efteling-versie min of meer trouw, maar verandert ze de enkele namen van de dienaren naar Torenbeen (Springkuit), IJsbrand (Koukleum) en Luisterbink (Putoor). De prins krijgt drie opdrachten (een ring uit de Zilverzee halen, driehonderd ossen opeten plus driehonderd vaten wijn drinken en een gigantisch vuur uitdoven), maar Martine Bijl vergeet bij het vertellen wel Luisterbink (Putoor) te gebruiken. Die wordt wel genoemd in het rijtje van dienaren, maar komt daarna niet meer in het sprookje voor.

Omschrijving

Het sprookje wordt in de Efteling eigenlijk niet uitgebeeld, dat wil zeggen het wezenlijke verhaal wordt niet door middel van een show getoond en er is ook geen scène stilgezet. Het sprookje is aanwezig door de uitbeelding van slechts één van de zes dienaren: Langnek, een slanke reus die gezeten op een rots tussen het bamboe niets anders doet dan zijn wonderlijk lange nek uitstreken, daarbij zijn hoofd heen en weer beweegt en met zijn ogen de omgeving afgaat. Voor hem is een klein pleintje met maaskeitjes te vinden en een galerij waar vroeger ook een winkeltje voor snoep en koffie te vinden was. In de galerij zijn schilderijen te vinden van de dienaren die allen bij naam genoemd worden op een lint er onder en op de luifel van het gebouw vinden we een buste van de geblinddoekte Kogeloog. Bij Langnek wordt met de stem van Peter Reijnders het verhaal van De zes dienaren verteld vanuit de derde persoon.

Langnek

Langnek kijkt uit

Zie voor meer informatie Langnek

Langnek is de bekendste figuur uit het sprookje van De zes dienaren, wat voornamelijk komt door zijn aanwezigheid in de Efteling. Al sinds de start van het park in 1952 wordt de figuur als beeldmerk gebruikt en duikt hij regelmatig op op drukwerk en souvenirs en in allerlei reclame-uitingen. Bezoekers die het verhaal niet beluisteren zullen het personage daarom ook vooral kennen als Efteling-mascotte, en geen weet hebben van het sprookje waar de reus zijn oorsprong vindt.

In het sprookje heeft hij echter een relatief kleine rol. Hij heeft een nek die zo lang is dat hij alles op de wereld kan zien; hij is dan ook degene die zijn nek uitsteekt om te ontdekken dat de prinses helemaal aan de andere kant van het koninkrijk zit. Daarna is zijn rol uitgespeeld in het sprookje. In andere versies van het verhaal is zijn rol niet veel groter. Wanneer de prins op zoek moet naar een ring op de bodem van de Rode Zee kan Langnek deze met zijn scherpe blik zien liggen, maar omdat niemand er bij kan is het toch Heuvelbuik die de zee leegdrinkt waarna de prins de ring voor het oprapen heeft.

De huidige Langnek heeft een nek van 4,8 meter en is naar ontwerp van Ton van de Ven gemaakt in de tweede helft van de jaren zeventig. Oorspronkelijk was Langnek een ontwerp van Anton Pieck. Hij was iets kleiner en kende een strenger en magerder uiterlijk. In het verhaal van Peter Reijnders en in Het Efteling Sprookjesboek uit 1955 wordt een verklaring gegeven waarom Langnek in de Efteling zit. Aan het einde van het sprookje trekt hij, vergezeld door Kogeloog, naar de Efteling, omdat hij daar nooit uitgekeken raakt.

Kogeloog

Kogeloog tegenwoordig.

Zie voor meer informatie Kogeloog (Horeca)

Recht tegenover Langnek is een langwerpig tempelachtig wit gebouwtje te vinden met een galerij met bankjes. Bovenop vinden we een buste van de andere dienaar die naar de Efteling is gekomen, Kogeloog. Het borstbeeld staat op een fraaie gevel met een schildje en een groot lint waarop de naam van de dienaar in het Anton Pieck-lettertype valt te lezen. Het gebouw kent een galerij, bestaande uit aantal pilaren die een loopgang van de gewone weg afscheiden en het dak van het gebouwtje ondersteunen. De binnenkant van het dak is bekleed met mooie houten planken. Buiten tegen de muur vinden we typische klassieke Sprookjesbos-lantaarns. Aan de binnenmuur van de loopgang zijn een zestal afbeeldingen, van respectievelijk Langnek, Putoor, Springkuit, Kogeloog, Heuvelbuik en Koukleum te vinden, beter bekend als de Zes Dienaren.

In het midden van dit gebouw, recht onder Kogeloog, vinden we een paneel met daarop de gedenktekst:

Zes Diena­ren worden alhier her­dacht,
de prin­ses von­den zij met ver­eende kracht

Boven dit paneel prijkt een Piecks ornament, voorzien van vele krullen en vormpjes en een stuk perkament met de tekst "De Zes Dienaren". Het horecapunt, ontworpen door Anton Pieck, werd geopend in 1967 en was voor het laatst in bedrijf in 2002. In 2006 werd de gesloten uitgiftebalie door Léon Weeterings van een nieuwe stijl voorzien. Het assortiment bestond in de laatste jaren uit popcorn, diverse soorten snoep, frisdrank en koffie, die in de galerij op de verschillende bankjes verorberd konden worden.

De buste op het gebouw is een andere dan het Kogeloog-beeld dat in 1954 naast Langnek stond. Dit borstbeeld, dat ook bekend staat als de "Dienaar met wesp", wordt in vele boeken over het park aangehaald. Het is echter niet meer in de Efteling te vinden, waarschijnlijk verdwenen nog voor het verschijnen van het horecapunt. Rechts van de galerij vinden we wel de eerste Holle Bolle Gijs van het Sprookjesbos, Wagen Gijs, die gelijk met het horecapunt hier werd geplaatst en eveneens werd ingesproken door Peter Reijnders, die ook het verhaal van de Zes Dienaren vertelt.

Spreuken

Bij Langnek staan twee houten borden waarop met Gotische letters typische spreuken van Anton Pieck zijn te vinden die je nergens anders in het Sprookjesbos kan aantreffen. Bij een zitbankje en rieten mand links van Kogeloog is te lezen:

Wie de papiermand hier niet ziet
Die is een sufferd waar of niet.

En links van Langnek lezen we op een bordje bij zo'n zelfde mand:

Hier afval anders wordt hij vals,
Die kerel met zijn lange hals.

Vertelling

De achterkant van Langnek is te zien vanaf het pad tussen de Zeemeermin en de Draak.

Het verhaal van De zes dienaren wordt door Peter Reijnders verteld en komt uit twee grote Bose-speakers die verdekt staat opgesteld achter Langnek. Het verhaal wordt in derde persoon gebracht en wordt dus niet verteld door Langnek zelf, zoals vaak wordt verondersteld. Reijnders maakt bij het verhaal een opmerkelijke pauze: in de zin ".. helemaal aan het andere eind van het koninkrijk zat, en huilde." valt er een opvallende stilte tussen 'koninkrijk' en 'zat', alsof daar de pagina wordt omgeslagen. Als achtergrondmuziek is "In the Moonlight" van Albert Ketèlbey te horen.

De ingesproken tekst gaat als volgt:

Heel lang geleden woonde in een ver land een beeldschone prinses. Ze was zo mooi en lief dat vele prinsen haar hand waren komen vragen. Maar haar stiefmoeder was een boze koningin, die erg gierig was en steeds maar rijker wilde worden. Daarom moest iedere prins, voor zij de toestemming tot een huwelijk wilde geven, eerst iets héél moeilijks doen. En als 'ie dat niet kon, dan hakte de beul z'n hoofd eraf, en dan nam de boze koningin al het land van de dode prins in haar bezit.



Daar d'r al veel prinsen waren geweest die met de prinses wilden trouwen, maar dat hele, hele moeilijke iets niet konden volbrengen, was de boze koningin zeer rijk geworden. Op zekere dag echter meldde zich weer een prins aan bij de koningin. En omdat 'ie veel slimmer was dan zijn voorgangers, had 'ie onderweg zes dienaren gehuurd, die ieder over een zeer bijzondere eigenschap beschikten. De eerste, Putoor geheten, had zúlke grote oren dat 'ie alles kon horen wat er op de wereld gebeurde. Springkuit, de tweede knecht, had zúlke lange benen, dat 'ie in een half uur van China tot hier kon lopen. De derde had zó'n grote buik, dat je meer dan lange ladders nodig had, om erover heen te kunnen kijken. Zijn naam was dan ook Heuvelbuik. De vierde, Kogeloog geheten, moest steeds geblinddoekt zijn, want z'n ogen waren zo sterk dat alles stuk sprong waar 'ie naar keek. De vijfde was een wonderlijke kerel. Die, hoe warmer het werd, hoe kouder hij zich voelde. Hij heette dan ook Koukleum. En de zesde, die kon z'n nek zó lang uittrekken dat 'ie alles kon zien wat er op de wereld gebeurde. Daarom was zijn naam Langnek.

Wat was die valse koningin vriendelijk, toen er wéér een prins om de hand van de prinses kwam vragen. "Natuurlijk," zei ze, "natuurlijk mag jij met de prinses trouwen. Maar, dan moet je zorgen dat ze binnen een kwartier hier voor me staat." Nu, dat leek de prins niet zo heel moeilijk. Maar toen Langnek z'n hals eens flink had uitgerekt en Putoor z'n oor tegen de grond hield, om de luisteren, bleek het dat de prinses helemaal aan het andere eind van het koninkrijk zat, en huilde. De prins werd toen erg verdrietig, want hij dacht: "Ach, dat lukt me nooit, om de prinses in een kwartier hierheen te halen." Maar, hij had niet op Springkuit gerekend. Die zette de prins vlug op z'n rug, nam onder z'n ene arm Kogeloog en Koukleum, en onder z'n andere arm Heuvelbuik, en begon te rennen, zó hard, dat Putoor hem na drie tellen al niet meer zien kon. Na een paar minuten waren ze helemaal aan de andere kant van het land. Doch, een groot water versperde hen de doortocht. Geen nood! Heuvelbuik dronk al het water op, en wéér ging het verder, tot ze aan een grote rots kwamen waar ze niet overheen konden. Maar hier kwam Kogeloog in actie. Hij trok de blinddoek weg van z'n ogen en BENGGG!!! De hele rots sprong uit elkaar. Even later kwamen ze aan een geweldig vuur. Maar Koukleum hoefde maar even met z'n koude adem te blazen, en al het vuur doofde onmiddellijk. De prins en Springkuit renden verder, en ja hoor: daar vonden ze het prinsesje. Ze zat onder een dikke boom op het mos, en haar gezichtje was nog nat van tranen. Doch, dat veranderde gauw, toen ze begreep dat de prins haar kwam verlossen. "Nu vlug terug, Springkuit," zei de prins, "want de tijd is kort!" "Hahaha, haa, dan kan ik eindelijk eens flink doorlopen," riep Springkuit. Hij nam de prins en het prinsesje op z'n rug en begon te rennen, zoals 'ie nog nooit gerend had. Onderweg namen ze Koukleum, Kogeloog en Heuvelbuik mee terug, en toen waren ze in een oogwenk weer bij het paleis.

Daar stonden Putoor en Langnek al te wachten, met het paard van de prins aan de teugel. Wat was die valse koningin boos, toen ze zag dat de prins binnen een kwartier met de prinses terug was. Ja, maar ze moest het wel goedvinden dat ze gingen trouwen. De prins nam de prinses dan ook voor zich op z'n paard, en toen reden ze naar zijn land. Nou, jullie kunnen begrijpen wat een bruiloft daar gevierd werd. En, ja, ze leefden dan ook nog lang en gelukkig samen. Waar de knechten Heuvelbuik, Putoor, Koukleum en Springkuit nadien heengingen; niemand weet het meer. Maar Langnek, vergezeld van Kogeloog... ja, die vertrokken naar de Efteling. Want, zo zei hij, daar kom ik nooit, en nooit uitgekeken. En zo komt het dat Langnek nog steeds hier zit.

Geschiedenis

De eerste Langnek

Langnek in het midden van de jaren 50

Het sprookje opent met Langnek als één van de eerste attracties in het Sprookjesbos op 31 mei 1952. Hij heeft dan een vrij klein hoofd en een grof gezicht dat op een grove houtsnede lijkt. Hij kijkt erg streng, bijna treurig voor zich uit. Het hoofd bevindt zich op een vrij dikke nek. De dienaar draagt een stoffen capeje op zijn afhangende schouders. De rest van zijn kleding is mee gemodelleerd met het lichaam, dat in verhouding nogal gezet is, met dunne armpjes en benen die goed verraden hoe de decorateurs het gekneed hebben. De rots waar Langnek op zit is dan laag en plomp. Op foto's lijkt het alsof er nog geen hekwerkje of vijvertje is dat de figuur op afstand houdt van de bezoekers. Zijn omgeving is ook nog vrij kaal: er is geen bestrating, geen extra beplanting en geen horeca in de buurt. Ook was het sprookje nog niet te horen.

Al vrij snel, binnen een jaar of twee, wordt de figuur beter gemodelleerd. De kop wordt minder lelijk, maar kijkt nog steeds met dezelfde blik voor zich uit. Om de figuur toch op afstand te houden van het publiek wordt een laag bakstenen muurtje met prikkeldraad gemaakt, en de beplanting is gaan groeien.

De dienaar met wesp

De buste van Kogeloog in 1954

Zie voor meer informatie Kogeloog (buste)

In 1954 krijgt Langnek gezelschap van een flink borstbeeld van een andere dienaar, Kogeloog, waarschijnlijk in een poging om het sprookje completer te maken. Het is echter niet bekend of er ooit plannen zijn geweest om ook de andere dienaren te verwezenlijken. Het beeld was geplaatst voor een vijvertje en stond pal naast Langnek. Op zijn hoofd droeg hij een witte pruik met daarop een kapiteinshoed met veren. Hij keek scheel naar een wesp die zich op zijn neus had genesteld. Voor hem stond een bordje met het volgende opschrift:

Deez' dienaar, die weleer in 't leven
Slechts met een blik een leger deed sneven
Is nu, na al z'n roemrijke dagen
Zelfs niet in staat een wesp te verjagen

Het rijmpje verklaart dat Kogeloog zijn krachten dus verloren is, in tegenstelling tot Langnek die nog altijd in staat is om zijn nek langer uit te rekken. Mogelijk dat deze vreemde wending van het verhaal een reden is waarom het borstbeeld weer snel verdween. De latere, kleinere buste op het horecapunt heeft wel een blinddoek om. Een jaar na de komst van het Kogeloog-borstbeeld, in 1955, wordt het bakstenen muurtje van Langnek vervangen door een vijvertje om het tafereel lieflijker te maken.

Het verbeteren van het sprookje

Wanneer het Kogeloog-beeld precies verdween is niet helemaal duidelijk, maar op de plattegrond van 1966 is hij al niet meer aanwezig. Daarvoor in de plaats zit Langnek vanaf 1967 recht tegenover de galerij met het etablissement en Wagen Gijs. Het stoffen capeje van Langnek wordt ergens in de jaren 60 vervangen door een versie in polyester, maar het duurt nog tot in 1972 voordat de figuur een professioneler uiterlijk krijgt. De aanpassing van Langnek gebeurt in stapjes: In 1972 wordt het nieuwe hoofd geplaatst, ontworpen door Ton van de Ven. Het gezicht is ronder, gladder en gegroefder. Hoewel de open blik met laaghangende mondhoeken is gebleven, is er duidelijk verschil te zien met de toch iets strengere look van de vroegere versie van Anton Pieck. Uiteindelijk worden in 1979 ook het lichaam en de hals aangepast. Alle lichaamsdelen zijn beter met elkaar in verhouding en ogen realistischer dan voorheen. De zithouding van de figuur is plastischer geworden en daarmee veel realistischer. De nieuwe Langnek kent ook meer details, zoals de knoppen op z'n blouse, de riem om z'n middel en het touw om z'n nek. De rots waar Langnek op zit wordt een beduidend stuk verhoogd.

Latere aanpassingen

Een stiekeme aanpassing aan het hoofd wordt gedaan in het begin van de jaren 00 wanneer in de oren van Langnek gaatjes worden aangebracht om 's winters de oorwarmers op hun plaats te houden. Later wordt er ook een ijspegel gemaakt die ’s winters op zijn neus wordt geplaatst. In 2000 wordt er een sprookjesboek bij Langnek geplaatst, en zes jaar later wordt er een kronkelend hekwerkje aangebracht om de vijver, om te water gaande kleuters tegen te gaan. Tijdens de Lente Efteling van 2004 tot 2010 werd ieder voorjaar een vlinder op Langneks knie geplaatst.

Sinds 2011 kende Langnek een hardnekkig defect: Het hoofd en de ogen gaan niet langer meer heen en weer. Het mankement werd pas na groot onderhoud in april 2013 opgelost. Tegelijkertijd kreeg Langnek een frisse schilderbeurt en werd de rots waar hij op zit geheel vernieuwd. Ook de beplanting werd aangepast.

In de media

Langnek Sprookjesfeest-pop

Het sprookje is zoals gezegd in een iets afwijkende versie opgenomen in het boek Sprookjes van de Efteling, voorzien van tekst van Martine Bijl en tekeningen van Anton Pieck. Het is ook te vinden in de andere sprookjesboeken die het park heeft uitgegeven. De versie in Het Efteling Sprookjesboek lijkt het meest op het verhaal zoals dat in het park te horen is en eindigt met de zes dienaren die ieder een plek zoeken om heen te reizen, waarbij Langnek en Kogeloog samen naar de Efteling trekken. De versie in het recentste boek Sprookjesboek van de Efteling is geschreven door Gerrie van Dongen en blijft deze versie ook trouw, al is de stijl wel geheel anders.

Je vindt het sprookje ook op Sprookjes van de Efteling - deel 4. De versie op dit album is niet dezelfde als het verhaal in het Sprookjesbos, maar blijft de sprookjesbosversie trouw. Het sprookje verscheen eveneens in de serie nieuwe luistersprookjes van ReDi Entertainment, en wel op CD 1. De originele opname van het verhaal uit het Sprookjesbos, voorgelezen door Peter Reijnders, vind je terug op De Mooiste Muziek uit de Efteling CD 1. De romantische strijkersmuziek die bij dit sprookje wordt gebruikt, is "In the Moonlight", een poëtisch intermezzo voor orkest van Albert W. Ketèlbey, te vinden op de recente muziekalbums van het park Wonderlijke Efteling Muziek.