Roodkapje
Intro roodkapje.jpg
Roodkapje
Geopend 1953, huisje in 1960-1961, herbouw in 2016
Gebaseerd op Roodkapje
Opgetekend door Charles Perrault / Gebroeders Grimm
Ontwerp Anton Pieck
Techniek Peter Reijnders
Ingesproken door Wieteke van Dort (eerder Theo Hochwald)
Figuren 3
Vorige Zes Dienaren
Volgende Pinokkio
Sprookjesbos, overzicht

Roodkapje is het vierde sprookje op de route in het Sprookjesbos. Het sprookje is vanaf 1953 in het park te vinden, destijds in de vorm van een beeldje van een bloemenplukkende Roodkapje. Het beeld werd in 1960 vervangen door het huisje van grootmoeder. Sinds 1961 kun je Roodkapje zien aanbellen bij grootmoeder, die zojuist is opgegeten door de wolf die nu likkebaardend in bed ligt te wachten op Roodkapje.

Le petit Chaperon Rouge (Het kleine rode kapje) is het eerst opgetekend in de Sprookjes van Moeder de Gans door Charles Perrault en is waarschijnlijk zijn bekendste sprookje. Ook de Gebroeders Grimm namen het op in hun bundel.

Het sprookje

Samenvatting

Het verhaalt van een jong meisje dat altijd een rood kapje draagt en daarom Roodkapje wordt genoemd. Als zij op een dag door het bos wandelt, op weg naar haar oma met mandje met versnaperingen, wordt zij aangesproken door een wolf.

Zodra de wolf heeft uitgeplozen waar Roodkapje heen gaat, neemt hij een kortere weg naar oma's huisje en eet oma op. De wolf doet oma's hoofddoek om en gaat in haar bedstee liggen.

Roodkapje vertrouwt het als ze aangekomen is niet helemaal. Oma's ogen, oren en tanden lijken allemaal wel wat groter dan normaal. Toch is ontsnappen er niet bij. De wolf verslindt ook haar.

Gelukkig komt er een jager die Roodkapje en oma weet te bevrijden uit de buik van de wolf.

Oorsprong

Het sprookje van Roodkapje werd opgetekend door de Fransman Charles Perrault, in zijn "Contes de ma mère l'oye" uit 1697, als Le petit Chaperon Rouge (Het kleine rode kapje). Het is waarschijnlijk zijn bekendste sprookje en misschien wel het meest bekende sprookje van onze tijd.

De populariteit van het sprookje van Roodkapje is vooral te danken aan de literatuur. In tegenstelling tot de meeste andere sprookjes die Grimm en Perrault optekenden, komt Roodkapje vrij weinig in de orale traditie voor. Het is een verhaaltje dat vaak als leermodel in schoolboekjes, op centsprenten en als beeldverhaal voorkwam. In de twintigste eeuw is het sprookje met veel succes bewerkt door onder andere Milt Gross ("Sturry from Rad Ridink Hoot") en Roald Dahl ("Little Red Riding Hood and the Wolf").

Roodkapje en haar grootmoeder als entertainmentduo

De versie van Perrault gaat echter anders dan de versie zoals die in de Efteling wordt gebracht en bij de meesten bekend zal zijn. Het sprookje kende namelijk geen goed einde. Het meisje werd opgegeten door de wolf en dat was dat. De jager kwam niet in het verhaal voor. Het verhaal werd voornamelijk als een les voor kinderen gebracht om niet van het (rechte) pad te raken, anders loopt het slecht met je af. In 1800 bewerkte Ludwig Tieck Perraults Roodkapje tot een toneelstuk voor kinderen en bracht dan ook de jager erbij zodat het sprookje goed zou aflopen, waarbij tevens het fantasievolle deel kwam waarbij oma en meisje nog compleet intact in de maag van de wolf zitten.

De gebroeders Grimm namen deze versie over, en kopieerden de stenen in de maag van het sprookje "De Wolf en de Zeven Geitjes" om de wolf een lesje te leren. De Grimm-versie, getiteld "Rotkäppchen" in Kinder- und Hausmärchen, is dus een combinatie van drie bronnen. Pieck, die in 1942 al illustraties maakte voor de bundel Sprookjes van Grimm, koos ervoor om deze versie uit te beelden in de Efteling.

Varianten van dit sprookje bestaan vermoedelijk al minstens 2600 jaar; het is in allerlei vormen over de hele wereld terug te vinden. In China werd het meisje bedreigd door een tijger in plaats van een wolf, en in islamitische culturen was Roodkapje een jongetje, aangezien meisjes daar sowieso niet alleen over straat horen te gaan. De boodschap blijft hetzelfde: een kind alleen op straat moet oppassen voor vreemden.[1]

Omschrijving

Statische uitbeelding (1953-1959)

Roodkapje in het bos (1953)

Roodkapje werd in 1953 toegevoegd aan het Sprookjesbos in de vorm van een beeldje van een bloemenplukkende Roodkapje. Haar mandje stond naast haar en achter een boom keek de wolf toe.

Deze uitbeelding werd niet als volwaardig gezien, wat bijvoorbeeld ook blijkt uit het feit dat het niet is opgenomen in Het Efteling Sprookjesboek uit 1955. Al in 1955 werden er plannen gemaakt om het te vervangen door een uitgebreidere uitbeelding, maar het duurt nog tot 1960 tot die er zal komen. Het beeld is toen hergebruikt op de wegwijzer die naast de laan voor het sprookje staat (inmiddels een replica).

Het huisje van grootmoeder (1960-heden)

Roodkapje

Het sprookje is uitgebeeld als loersprookje in de vorm van het huisje van oma. In het sprookje wordt het moment uitgebeeld waarop de wolf in oma's bed ligt en Roodkapje op het punt staat binnen te komen.

Het huisje van grootmoe

Het huisje is een klein, karakteristiek huisje. Haast alles in het huisje is van hout en is geverfd in de drie primaire Pieckkleuren. De muur is aangesmeerd, behalve het gedeelte bij de bedstee, dat is betegeld met tegels met zwanen erop. Een grote ruit geeft ons een blik in de huiskamer, waarin een klein leestafeltje staat. Op het tafeltje liggen wat spullen van grootmoeder, waaronder een boek, een bril en een brillenkoker.

Helemaal links, voorin het huisje staat een grote staande klok. De klok is net als het tafeltje Piecks rood. Op de buik van de klok staat het opschrift:

Alle die mijn vergeten,
en sullen die tijt niet weten

In de linker muur bevindt zich de buitendeur waarachter Roodkapje staat. Voorbij de deur is de trap naar een onbekende bovenverdieping. In een steunbalk bevindt zich een ornamenteel gezicht, waarvan de ogen heen en weer bewegen. Onderaan de trap, op de leuning, staat een beeldje van een meisje dat dient als kandelaar.

Onder de trap is de bedstee van oma, met daarin de Wolf. De wolf ligt in het bed, gekleed in grootmoeders kleren. De wolf beweegt subtiel. Hij haalt adem, en op een gegeven moment steekt hij zijn tong uit en likt zijn lippen. ("En kijk eens hoe hij likkebaardt...")

Vertelling

De vertelling bij het sprookje is ingesproken door Wieteke van Dort en gaat als volgt:

Op zekere dag was Roodkapje naar haar grootmoeder gegaan, die alleen in een huisje in het bos woonde. Onderweg had ze bloempjes geplukt, terwijl ze zong:

“Zeg Roodkapje, waar ga je henen zo alleen, zo alleen? Zeg Roodkapje waar ga je henen, zo alleen? 'k Ga naar grootmoeder bloempjes brengen, uit het bos, uit het bos. 'k Ga naar grootmoeder bloempjes brengen, uit het bos."

Toen ze aanbelde begon Krakeeltje de tamme kraai zenuwachtig te kraaien. Het was alsof hij Roodkapje voor iets wilde waarschuwen. Ja, daar was wel reden voor, want de grote boze wolf was grootmoeders huisje binnengekomen en had 'r met huid en haar opgegeten. Hij had grootmoeders nachthemd aangetrokken, haar muts opgezet en was toen in bed gaan liggen. Hij hoopte dat Roodkapje niets zou merken als ze binnenkwam, dan kon hij haar ook plotseling overvallen en opeten. Kijk maar eens naar binnen door de ramen. Daar ligt de boze wolf in grootmoeders bed. En kijk eens hoe hij likkebaardt, in de hoop dat Roodkapje zo dadelijk binnen zal komen.

Jullie weten allemaal hoe het sprookje verder gaat. Roodkapje en grootmoeder zijn gelukkig door de jager gered. En ze leefden nog lang en gelukkig.

Opmerkelijk aan de vertelling is dat het essentiële motieven van het sprookje achterwege laat, zoals bijvoorbeeld de zo beroemde serie vragen. En ook het einde wordt weggemoffeld, hoogstwaarschijnlijk omdat dit toch wat te gruwelijk bevonden werd.

Eerder was de vertelling ingesproken door Theo Hochwald.

Ontwerp en realisatie

Binnenwerk van de kop

De eerste ontwerpen voor Roodkapje als volwaardig sprookje dateren uit 1955, maar het duurt nog vier jaar voor er eindelijk begonnen wordt met de bouw. Ook dat proces loopt niet voorspoedig en uiteindelijk is het geheel pas in 1961 helemaal gereed.

Huisje van Grootmoeder

In 1959 wordt begonnen met de bouw van het huisje voor grootmoeder. Op den Kamp maakt twee voorstellen: een uitvoering in echte steen (kosten ƒ 13.000,-) of uit steengaas (ƒ 6.700,-). Na wat heen en weer wordt uiteindelijk voor een uitvoering in steengaas gekozen, vanwege de kosten maar ook vanwege de modelleerbaarheid van de specifieke vormen van het huisje.

Gekozen wordt voor een plek langs het pad richting de Rode Schoentjes. Op de eerste tekeningen is de voordeur van het huisje nog aan de rechterkant te zien. Wellicht is het later gespiegeld vanwege de aanlooprichting van de bezoeker, of werd er toen nog rekening gehouden met de optie om het huisje aan de rechterzijde van het pad te plaatsen.

De woonkamer van oma komt op de eerste verdieping te liggen, en het pad wordt van een helling voorzien zodat bezoekers door de grote ramen naar binnen kunnen kijken. Eronder een kelder voor het nokkenschijvensysteem dat het likkenbaarden van de wolf aandrijft. Het huisje heeft ook een flinke bovenverdieping, met ruimte "voor toekomstige marionettenbewegingen" die nooit gerealiseerd worden.

Op 17 april 1960, seizoensopening en geplande opleverdatum van het sprookje, is slechts het kale huisje van grootmoeder klaar. Het project loopt nog veel verder uit, wellicht mede vanwege drukke werkzaamheden aan de Eend en het Kraanven. In augustus 1960 klagen bezoekers over niet weggewerkte kabels en een kapotte lantaarn. De naamgever van het sprookje zelf is dan nog lang niet aanwezig.

Roodkapje zelf

Voor de uitbeelding van de hoofdpersoon van het sprookje doen verschillende ideeën de ronde. Roodkapje zou bijvoorbeeld moeten aankomen, aanbellen en naar binnen moeten gaan. Peter Reijnders heeft ook verschillende ideeën, zoals een Roodkapje die al zingend bloemen plukt waaromheen nog vlindertjes vliegen, en een dier dat haar aan haar rokken trekt. Haar gezang zou de wolf wekken die likkebaardt. Ook bedenkt hij een uitvoering waarbij bezoekers zachtjes gezang horen en tussen de rotsblokken aan weerszijden van de opgang door steeds een flits van een rood kapje te zien krijgen. Uiteindelijk komt men toch uit op het meisje dat aanbelt bij haar grootmoeder, het spannendste moment uit het sprookje.

Op een foto in Het Sprookje van de Efteling is nog een levend meisje stand-in voor de pop. Pas op 31 juli 1961, het huisje stond er dan al meer dan anderhalf jaar, wordt Roodkapje geplaatst en is het sprookje eindelijk af. Later zal het meisje nog een aantal keer 'gemoderniseerd' worden.

Techniek

De nokkenschijven onder het sprookje

De techniek in het sprookje is van Peter Reijnders. Behalve bewegende ogen in het muurornament, en de bel die geluid wordt door Roodkapje, is vooral de wolf heel ingenieus gebouwd: door middel van touwtjes, veertjes en gewichtjes in zijn hoofd, heeft hij, zeker voor die tijd, een uitgebreide reeks bewegingen. Hij ademt, en gaat rechtop zitten als Roodkapje aanbelt. Vervolgens steekt hij zijn tong uit en likt zijn lippen.

Voor een deel wordt er gebruik gemaakt van Nokkenschijven, die zijn opgesteld in de technische ruimte onder de kamer van Grootmoeder. Hiermee kan de Wolf overeind gaan zitten om aan het eind van het verhaal weer te gaan liggen. Ook de tong kan hiermee worden aangestuurd.

In Kroniek van een Sprookje is een foto van het binnenwerk van de kop te zien. De tong op deze foto zelf is een kunstig geplooid stuk leer dat om een as draait. Door de draaiing is het net alsof de punt omkrult en langs de lippen likt. In de huidige versie krult de tong daadwerkelijk om. De tong kan buigen en wordt met een bijna onzichtbaar draadje richting de neus getrokken.

De bel werkt anders dan je zou verwachten. Het is niet de arm van Roodkapje die aan het touwtje trekt, maar andersom. De bel luidt zichzelf, en de arm beweegt mee. De oplettende kijker zal ook zien dat de hand van Roodkapje omhoog gaat en dus eigenlijk tegen het touwtje lijkt te duwen. Om dat te zien moet je wel lang zijn; de bel-hand van Roodkapje gaat bijna helemaal achter haar lichaam schuil.

Op oud filmmateriaal van kort na de opening is te zien dat de kraai Krakeeltje vroeger heel beweeglijk was. Pas bij de herbouw in 2016 werd deze beweging, na decennialang afwezig te zijn geweest, weer in ere hersteld. Jarenlang ging alleen de snavel open en dicht, synchroon met het geluid van de vogel in het verhaal.

Herbouw 2016

In februari 2016 zou het sprookje een grote onderhoudsbeurt krijgen waarvoor het in de steigers werd gezet. Al snel bleek na het eerste werk de oude constructie (waarbij destijds voor de goedkope steengaasvariant was gekozen) niet meer te redden; de enige optie om het sprookje te behouden was een complete herbouw van het huisje. Figuren en interieurelementen werden zorgvuldig verwijderd en opgeslagen, waarna het huisje in mei tegen de vlakte ging.

Het herbouwde huisje vlak voor heropening, met extra hekje en nieuw rotswerk

Met moderne materialen als staal en beton werd het huisje op basis van een nieuw constructief ontwerp opnieuw opgetrokken, waarna het sprookje in december nog net in het zelfde jaar kon heropenen. Het interieur was zorgvuldig teruggeplaatst en daarmee identiek, maar aan het exterieur waren kleine verschillen te ontdekken. Zo werden de rotsen langs het (opnieuw bestrate) pad vervangen door veel realistischer gemodelleerde rotsblokken, werd het zicht op Roodkapje verbeterd door een hekje in de rotsen uit te sparen, en was het dak een stuk rechtlijniger dan de oude, meer gegolfde variant. Ook het dakje van het torentje oogt sinds 2016 anders: het voorheen concave, 'ingezakte' dakje is nu meer een strakke kegel met rechte spanten. Krakeeltje kreeg een nieuwe nestkast en een drink-/voerbakje (naar oorspronkelijk ontwerp van Anton Pieck) en een extra beweging die decennia afwezig was: voortaan hopt de tamme kraai steeds op en neer, ook tussen het zenuwachtig kraaien door. Rondom de voordeur werd een omlijsting van stenen aangebracht, en boven het kijkraam een dikke houten balk. Aan de figuur Roodkapje veranderde verder niets. Geluidstechnisch kreeg het sprookje ook een update, waardoor de tekst van Wieteke van Dort helderder klinkt dan ooit.

Ontvoerd

Roodkapje is ontvoerd, 4 oktober 2006

In de nacht van 14 op 15 augustus 1998 werd Roodkapje ontvoerd uit het Sprookjesbos. Twee dagen later werd ze teruggevonden bij de Dominicuskerk in Tiel, naast het Heilig Hart-beeld. Ze had een houten appel in haar hand met als opschrift "Ben je boos? Pluk een roos!". Mogelijk werd ze ontvoerd door boze appelboeren uit de Betuwe, want destijds vierde de Efteling de nieuwe appeloogst door gratis Greenery appels aan de bezoekers uit te delen.[2]

Op 4 oktober 2006 werd ze nogmaals ontvoerd. Deze keer werd de ontvoering opgeëist door een anonieme studentenvereniging. Roodkapje werd later teruggevonden bij verpleeghuis De Eekhof aan de Gasthuisstraat in Kaatsheuvel. De studenten gingen helaas minder zachtzinnig te werk, waardoor Roodkapje's voetje beschadigd werd. De gevolgen hiervan waren nog een tijd zichtbaar nadat Roodkapje weer op haar plaats was gezet, want onder haar kous was een duidelijk misvormde enkel zichtbaar.[3]

De Efteling was er niet over te spreken, met de woorden van parkdirecteur Olaf Vugts:[4]

We kunnen op deze Dierendag wel grappen dat ze door de boze wolf is opgeslokt, of dat ze voor de start van de Kinderboekenweek bij de kabouters is gaan voorlezen, maar eigenlijk vinden we het heel vervelend.

In de jaren zestig werd de Kleine Boodschap Kabouter ook al eens ontvoerd uit de Efteling.

Overigens is Roodkapje ook elders niet veilig. In het weekend van 17 mei 2009 werd Roodkapje uit Duinrell ontvoerd.

In Eftelingse media

Wetenswaardigheden

Roodkapje in 1982, met rug tegen de deur
  • Roodkapje stond tot 2004 met haar rug tegen de deur gericht.
  • Ad Grooten zong met zijn band Pater Moeskroen een liedje over Roodkapje.


Verwijzingen
  1. Roodkapje ouder dan Jezus, Faqt.nl, 8 september 2009
  2. Trouw: Efteling zit zonder Roodkapje
  3. Omroep Brabant: Roodkapje weer terug in de Efteling
  4. Efteling.nl