Anton Pieck
Antonpieck werktafel.png
Anton Pieck aan zijn werktafel.
Volledige naam Anton Franciscus Pieck
Bijnaam De milde dictator
Geboren Den Helder, 19 april 1895
Overleden Overveen, 24 november 1987
Jaren actief 1952 - 1975
Beroep(en) ontwerper, illustrator, prentkunstenaar, graficus en tekenleraar
Nationaliteit Nederlands
Bekend als de ontwerper van het Sprookjesbos
Personen

Anton Franciscus Pieck (Den Helder, 19 april 1895 - Overveen, 24 november 1987) was een Nederlands illustrator, prentkunstenaar en graficus.

Anton Pieck is eind 1951 door cineast Peter Reijnders betrokken bij het tot stand komen van het Sprookjesbos. Hij heeft een tiental sprookjes ontworpen voor de opening in 1952 en maakte daarna nog minstens 1500 ontwerpen voor onder andere sprookjes, attracties, horeca, pleinen, attributen en boekillustraties.

Pieck heeft nog tot midden jaren 70 het ontwerpwerk in de Efteling op zich genomen. Vanaf 1975 werd zijn werk overgenomen door Ton van de Ven. Pieck bleef toen aan als adviseur en bezocht het park nog regelmatig tot zijn overlijden in 1987.

Zie ook: De categorie Anton Pieck, voor meer artikelen met betrekking tot Anton Pieck.

Zijn leven, zijn werk

1895-1919

Een typische Anton Pieck: 'Winterplezier op het ijs'.

Anton Pieck wordt geboren op 19 april 1895 in Den Helder aan de Koningstraat 32, samen met zijn tweelingbroer Henri. Hun ouders zijn Henri Christiaan Pieck (1861-1921), machinist bij de marine, en Stoffelina Petronella Neijts (1855-1944). Een ouder broertje (Coenraad Antonie, 1890) leefde slechts een jaar. Het gezin Pieck was buitenkerkelijk en had het niet breed. De jeugd van de broers verloopt niet zonder problemen. Vader is regelmatig van huis, maar wanneer hij thuis komt horen Anton en Henri hoe hij met regelmaat stomdronken de trap op komt stommelen. Anton haalt zijn geluk uit de dingen, die hem de mogelijkheid geven te vluchten uit het burgerlijke bestaan, zoals de jaarlijkse kermis.

Op zeer jonge leeftijd ziet hun moeder al duidelijk dat Anton en Henri een aanleg voor tekenen hebben. Ze zet de jongens op tekenles. Anton trekt zich terug in zijn eigen wereld om er nooit meer uit te komen.[1] Wanneer zijn moeder hem huilend voor het raam ziet en vraagt wat er aan de hand is, antwoordt Anton snikkend dat hij de regen niet kan tekenen.[2] Dit tekent al wat een perfectionist Anton Pieck is. Hij zal tijdens zijn leven bekend staan als een hoffelijke, rustige, stille man met een enorme werklust, wat hem de bijnaam 'de tekenende oester' zou opleveren.

Op 11-jarige leeftijd wint Anton de eerste prijs op een 'huisvlijttentoonstelling' met een aquarel. Hij ontvangt vijf tubes verf en een fixeerspuitje. Het gezin verhuist na vaders pensioen in 1906 naar Den Haag. Anton gaat na de lagere school voor enige tijd in de leer bij een huisschilder. In 1910 volgen de broers avondlessen aan de plaatselijke Academie van Beeldende Kunsten en in 1912 slagen de gebroeders Pieck voor een Middelbare Akte Tekenen bij het Haags Tekeninstituut. Anton gaat dan veel om met Herman Heuff (1875-1945) en Adriaan Miolée (1879-1961). Met z'n drieën tekenen ze samen in de natuur. Anton drukt dan ook voor het eerst zijn eigen etsen af.[1] In 1915 moet Anton voor drie en een half jaar in militaire dienst, waar hij tekenlessen geeft. In 1918 krijgt Anton bezoek van de schrijver Felix Timmermans, waar hij een lange vriendschap mee zou krijgen.

1920-1939

Na zijn opleiding en militaire dienst gaat Anton werken als leraar. Eerst aan het tekeninstituut Bik en Vaandrager, daarna in 1920 gaat hij werken als tekenleraar aan het Kennemer Lyceum te Overveen, waar hij tot zijn 65e blijft werken. Hij doet dit vooral voor een bestaanszekerheid: een vast inkomen en het opbouwen van een pensioen. Het liefste werkt Anton aan zijn eigen teken- en schilderwerk in de stilte van zijn werkkamer en de baan als tekenleraar gaf hem de mogelijkheid alleen opdrachten aan te nemen waar hij zin in had. Op de school geeft hij les en werkt mee aan activiteiten, en de ontwerpen voor diploma's, de schoolkrant et cetera.

Van 1912 tot 1933 is Pieck vooral bezig met grafische technieken als houtsnedes, etsen, gravures en litho's. Hij bezit een 1500 kilo zware Krausse etspers uit circa 1870. In de jaren 20 begint Pieck met het illustreren van boeken, waarvoor hij overgaat op andere technieken als conté- en pentekeningen, tekeningen in kleur en aquarellen. Het eerste boek met illustraties van Pieck komt uit in 1921: Pallieter van zijn Vlaamse vriend Felix Timmermans. Uiteindelijk heeft hij aan zo'n 350 boeken zijn medewerking verleend.

Op 8 maart 1922 trouwt Pieck met Jo van Poelvoorde. Het echtpaar krijgt drie kinderen: Elsa (1924), Anneke (1925) en Max (1928). In 1924 maakt Anton zijn eerste olieverfschilderij. Het eerste boek over de kunstenaar zelf verschijnt in 1930, geschreven door Anne Hallema. In 1939 verhuist Anton met zijn gezin naar de Prins Mauritslaan in Overveen, vlak naast het Kennemer Lyceum. Hier bleef hij met zijn vrouw wonen tot aan zijn overlijden.

Illustratie voor 'De sprookjes van Grimm' (1942)

1940-1967

Tijdens de Tweede Wereldoorlog vervalst Anton vervoersbewijzen en andere documenten. Hij verleent onderdak aan joden en helpt ze aan onderduikadressen.[3] Vanaf 1940 tot aan zijn dood maakt Pieck jaarlijks zes of twaalf tekeningen voor kalenders en kerstkaarten. In 1942 komt het boek De Sprookjes van Grimm uit, met vele illustraties van Pieck. Het is de inspiratie voor Peter Reijnders om Anton in 1951 te vragen mee te werken aan de bouw van een heus Sprookjesbos in de Efteling. Het is het begin van een lange samenwerking. Negen jaar later gaat Anton met pensioen. Ondertussen stijgt de belangstelling voor zijn werk. Vooral kalenders en ansichten met zijn prenten verkopen als zoete broodjes. In 1967 wordt voor het eerst een tentoonstelling gegeven van zijn werk, in de Van Reekumgalerij in Apeldoorn zijn dan 400 van zijn werken te zien.

1968-1987

In 1968 ontwerpt Anton Pieck een museum voor antieke auto's voor de familie Lips in Drunen. Het wordt geopend in 1972 als het Autotron. Als uitbreiding naar een attractiepark op die locatie niet mogelijk blijkt, verhuist het Autotron naar Rosmalen, waar Pieck ook enkele ontwerpen voor maakt. Het gebouw in Drunen blijft bewaard onder de naam De Voorste Venne een heeft een andere bestemming.

Hans Vogelesang, een belangrijke vriend van Pieck, brengt samen met Ben van Eysselsteijn in 1973 de monografie Anton Pieck: Zijn leven, zijn werk uit. Er worden tienduizenden exemplaren van het boek verkocht.

Anton Pieck in zijn eigen museum.

In 1983 overlijdt zijn echtgenote, drie jaar later sterft ook zoon Max. Op 16 juni 1983 wordt in Overveen een bronzen hoofd van Anton Pieck onthuld, naar ontwerp van Kees Verkade. Op 6 september 1984 opent het Anton Pieck Museum in Hattem, waar Pieck zelf nog ontwerpen voor maakt. In de nacht van 24 op 25 november 1987 overlijdt Anton Pieck op 92 jaar in zijn slaap. Op zijn werktafel laat hij een onafgemaakte aquarel achter, een stille getuige dat Pieck tot het laatste moment bezig bleef met zijn werk.

De nalatenschap van Anton Pieck bestaat uit tienduizenden tekeningen, ongeveer honderd olieverfschilderijen, etsen, houtsnedes, litho's, illustraties voor boeken, kafttekeningen voor tijdschriften, architectuurontwerpen voor het Autotron, de Efteling, het Anton Pieck Museum en enkele particuliere woningen, de 1500 ontwerptekeningen voor uitbeeldingen in de Efteling, heel veel schetsen, ex librissen, geboortekaartjes, ansichtkaarten, kalenders, werk dat gemaakt is voor het Kennemer Lyceum, een glas-in-loodwerkje en nog meer.[4]

Inspiratie en onderwerpen

De vorige eeuwen

De grootste inspiratie voor zijn werk vond Anton Pieck duidelijk in het verre verleden. "Ik duik graag onder in de vorige eeuwen", zei hij tijdens een interview in 1969. Hij dook dan ook in verschillende tijdperken. Uit de middeleeuwen sprak vooral de manier van schilderen aan. Pieck heeft bijvoorbeeld enkele platen gemaakt met middeleeuwse taferelen van monniken. Het werk van Pieter Breughel, uit de zestiende eeuw, is ook duidelijk een grote bron van inspiratie geweest, zo bewijzen vooral de kalenderplaten van Pieck, waarop drukbevolkte straten en pleinen te zien zijn vol details. De schilders van de Gouden Eeuw zijn iets waar Pieck in het bijzonder een grote bewondering voor had: "Het waren echte vakmensen [...] Schilderen werd als een echte ambacht beschouwd. Zo denk ik er ook over." Pieck moet dan ook wel bekend zijn geweest met het museum bij uitstek van de Gouden Eeuw, het Frans Hals Museum, dat op een steenworp afstand van zijn woning lag.

Het was echter toch voornamelijk de negentiende eeuw waar Pieck zijn inspiratie in vond. Hij vond er veel voorbeelden voor zijn eigen kunst in terug. Dat lag waarschijnlijk aan het Engelse karakter van die eeuw. Pieck hield van schrijvers als Charles Dickens (1812-1870) en tekenaars als George Cruikshank (1792-1878), Hablôt Knight Browne (1815-1882) en John Leech (1817-1864). Hij was ook een groot liefhebber van de Franse kunstenaar Gustave Doré (1823-1883). Doré was net als Pieck zeer productief, maakte humoristische platen en illustreerde sprookjes. Dan is er nog de Zweedse kunstenaar Carl Larsson (1853-1919), de Japanse prentkunstenaar en illustrator Hokusai (1760-1849) en de Nederlandse Cornelis Springer (1817-1891) die bekend stond om zijn oud-Hollandse stadsgezichten. Een onderwerp dat ook door Pieck maar al te vaak werd uitgebeeld.

De natuur

Als de grote natuurliefhebber die Pieck was, was dit vanzelfsprekend een onderwerp dat vaak terugkeerde in zijn werk. Al tijdens de kinderjaren zwierf Anton door de duinen, nam een tak met knoppen mee, en ging deze thuis natekenen. Tijdens militaire dienst, omgeving Amersfoort, tekende Pieck in het veld. Daarna ging hij in Den Haag met collega-kunstenaars graag naar buiten om te werken. Vooral landschappen, duinen, wilgen, bremtakken en dotterbloemen werden vereeuwigd als ets.

Qua dieren bezocht Pieck dierentuin Artis, later in zijn carrière kwam hij graag op de landgoederen Elswout en Koningshof. Als leraar nam hij zijn klas wel eens mee naar buiten om te tekenen. Maar in de bredere betekenis van het woord 'natuur' heeft hij ook veel mensen getekend en geportretteerd, vanaf 1963 tot aan zijn overlijden tekende hij zelfs (naakt)modellen. Het gaf hem de basis voor het tekenen van al die figuren op zijn bekende prenten. Op hoge leeftijd werd vooral het schilderen van stillevens een liefhebberij.

Holland

Toen Pieck op jonge leeftijd uitstapjes maakte in de zomer met het gezin naar Bergen en Alkmaar, was dat zijn eerste kennismaking met het schilderachtige Nederland. In zijn jongste jaren woonde hij in Den Helder, een plaats waar geen grachtenpanden of oude huisjes te vinden waren. Toen hij tijdens de uitstapjes voor het eerst andere plekken in het toen nog zo goed als autovrije Nederland zag, was hij meteen gegrepen door de sfeer. Later, in zijn militaire dienst, werd hij gegrepen door de historische binnenstad van Amersfoort. Eén van zijn vroegste bekende werken van een stadsgezicht is een ets van het oude slot in Heemstede, in 1918. Toen hij de leeftijd van 25 bereikt had, maakte hij een kalender met diverse torens in Nederland, en kort daarna zou hij het hele land doorreizen om nog eens 31 torens te tekenen voor een artikel in de Haagsche Post.

De stadsgezichten en reistekeningen vormen de grote inspiratie voor het Diorama (1971).
De belangrijkste locatie waar Pieck stadsgezichten ging tekenen, was Amsterdam: "Amsterdam heeft me altijd aangetrokken. Jarenlang ging ik er een dag in de week heen om allerlei straten, steegjes en details vast te leggen." Natuurlijk was hij ook veel in Haarlem te vinden, de dichtstbijzijnde stad van zijn huis, maar ook Rhenen, Dordrecht en Utrecht waren plaatsen waar Pieck vaak en graag kwam. In Zeeland verbleef Pieck met zijn gezin regelmatig. Het was een bijzondere plek, omdat zijn moeder er geboren was. Eén van zijn uitgevers, Ad. Stok, had op Schouwen-Duiveland een buitenhuisje, waar Pieck soms te vinden was.

Aangezien Pieck zo'n groot liefhebber was van vroeger tijden, natuur en het Nederlandse stadsgezicht, is het niet vreemd dat hij in de loop van de 20e eeuw bedroefder werd om de toestand in het land. Veel oud-Hollandse beelden zijn verdwenen, door de bombardementen in de Tweede Wereldoorlog, de enorme verbouwingen aan stadscentra in de jaren 60 en 70, nieuwerwetse architectuur en de steeds grotere opkomst van de auto, wat ook een groot wegennet door Nederland betekende. "Ja, ik heb dit land toch wel erg móói gekend", vertelde Pieck op 85-jarige leeftijd. "Wat er nu nog is, zie ik als een puinhoop van vroeger. Dat maakt me triest, ja."

Reizen

Schrijver Felix Timmermans introduceerde Pieck in Vlaanderen, sinds hij de illustraties had gemaakt voor Timmermans boek in 1919. Vanaf dan reisde Pieck vaak naar België om te tekenen in Timmermans' woonplaats Lier, maar hij werkte ook in Antwerpen, Brussel, Luik en Mechelen. Nadat het contact tussen Pieck en Timmermans in de Tweede Wereldoorlog werd verbroken en ook enkele Belgische vrienden overleden, verdween Piecks interesse voor dit land ten gunste van Engeland. Bij de Vlamingen bleef Piecks werk in ieder geval nog populair.

Engeland werd door Pieck zijn tweede vaderland genoemd, en dat is niet zonder reden. Zijn eerste bezoek aan Groot-Brittanië was in 1937, toen hij op weg was naar Marokko en de boot onderweg een stop maakte bij Southampton. Pieck maakte daar ter plaatse tekeningen. Vanaf 1951 reisde Pieck met zijn vrouw vaak de plas over om hun dochter Elsa te bezoeken, die daar woonde met haar Engelse man. Pieck tekende in Londen, Oxford, Wells, Gloucester, Tewkesbury, Chipping Campden, Broadway, Stratford en nog veel meer plaatsen. Piecks Engelse tekeningen tonen eeuwenoude panden, die duidelijk inspiratie vormden voor zijn architectuurontwerpen voor de Efteling en het Autotron en vele kalenderplaten. Piecks liefde voor Engeland bleek ook op andere vlakken (zie 'De vorige eeuwen' en 'Sprookjes'), en ook omgekeerd hield Engeland steeds meer van Pieck. Zijn kerst- en nieuwjaarskaarten en andere reproducties kenden daar een grote bekendheid.

In de zomer van 1937 maakte Pieck een reis die van grote betekenis zou zijn voor zijn latere werk. Voor zeven weken maakte Anton toen een avontuurlijke werkreis door Marokko. Hij bracht een bezoek aan onder andere Tanger, Rabat en Fès en kwam uiteindelijk met 80 tekeningen thuis. Het uitgangspunt om naar Marokko te gaan was dat tekenvriend Adolf Melchior er een jaar eerder was geweest en ter documentatie voor de Sprookjes van 1001 Nacht, maar zoals Pieck zelf zei: "Toen ik daar was aangekomen heb ik er helemaal nooit meer aan gedacht, zo nam de omgeving me in beslag." Nog tot in de jaren zeventig zou Pieck olieverfschilderijen maken op basis van die reis.

Holland, Vlaanderen, Engeland en Marokko kunnen wel gezien worden als de vier belangrijkste plekken op de wereld waar Anton naartoe reisde en zijn inspiratie vond voor zijn werk, maar er zijn natuurlijk meer landen aangedaan. Met zijn tekenmaterialen, zijn vrouw en nooit met het vliegtuig kwam Pieck in Duitsland, Oostenrijk, Italië, Zweden, Polen, Zwitserland, Ierland en Frankrijk.

Sprookjes

Sjahrazad vertelt haar verhalen aan koning Sjahriar. Illustratie voor Alle verhalen van 1001 nacht deel 1, uitgave 1943.

Naast tekenen, kermisromantiek en stedenschoon is op jonge leeftijd al te merken dat Anton Pieck verzot is op sprookjes en andere fantasieverhalen. Voor het jeugdblad Zonneschijn (1925-1939) maakt Pieck al prachtige zwart-witillustraties van volkssprookjes uit allerlei landen. Kabouters, heksen, kastelen en oosterse taferelen, het is dan al aanwezig in zijn werk. In de loop der jaren werkte Pieck aan vele projecten waar de figuren en omgevingen de gewone fantasie ver te boven gaan, zoals in Het boek der helden (1929) van C. van der Horst en De tuin der goden (deel 1 1940, deel 2 1947) van prof.dr. A. van Hamel. In 1940 begon Pieck aan het illustreren van alle 210 sprookjes van de gebroeders Grimm. Hoewel Pieck niet de eerste of de laatste was die dit deed, groeide zijn populariteit aanzienlijk sinds het boek in 1942 uitkwam. Het was voor Peter Reijnders zelfs de aanleiding om hem te betrekken bij het ontwerpen van het Sprookjesbos in de Efteling.

Het hoogtepunt wat betreft het illustreren van sprookjes vormt toch de zestien delen tellende bundel Alle verhalen van 1001 Nacht (1943-1954). De Arabische vertellingen zijn door Pieck voorzien van ongeveer 450 zwart-wittekeningen en 60 kleurenplaten, die voor een volwassen publiek werden gemaakt. Hoewel ook deze bundel niet de eerste Nederlands versie was (de eerste bundel verhalen van 1001 nacht kwam kort daarvoor uit in een bewerking door Henri Borel), gaf Pieck zijn illustraties een meer persoonlijke en speelsere stijl mee, die sterk de sfeer in de verhalen bepaalde. Voor deze illustraties had Pieck al eerder veel inspiratie opgedaan tijdens zijn reis door Marokko en via filmopnamen uit Noord-Afrika die een kennis van Pieck, mevr. Van der Plas, had gemaakt. Al eerder had Pieck oosterse taferelen geïllustreerd voor Zonneschijn, Het boek der helden en zelfs voor Grimm, waarin het verhaal 'Ali Baba en de veertig rovers' te vinden is.

Enkele voorbeelden van fantasierijke verhalen die Pieck verder nog illustreerde zijn Sil de strandjutter (1940), Niels Holgerssons wonderbare reis (1950), Gösta Berling (1952), Duco's gevleugelde dromen (1957) en A Christmas Carol (1954). Deze laatste verscheen voor het eerst in een Nederlandse vertaling met twaalf illustraties van Pieck. Pieck was een groot liefhebber van Charles Dickens: "'s Avonds in bed lees ik Dickens, daar ken ik iedere bladzijde van. Misschien is het fout, maar ik houd er nu eenmaal van." Later verschenen zijn platen ook in de Engelse versie van het boek.

De Efteling

Een speelplaats met romantiek

Het Sprookjesbos, Piecks bekendste creatie.

Eind 1951 neemt de Eindhovense cineast Peter Reijnders contact op met Anton Pieck met de vraag of hij een sprookjespark wil ontwerpen voor een natuurpark met speeltuintje in het Brabantse Kaatsheuvel. Het idee voor een sprookjespark komt van de vrouw van de burgemeester van de gemeente Loon op Zand, R.J.Th. van der Heijden, die het idee had gekregen nadat dat jaar een sprookjestuin ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan van Philips was gemaakt in het stadswandelpark van Eindhoven. Reijnders, de zwager van Van der Heijden en jarenlang werkzaam bij Philips, komt naar aanleiding van een door Pieck geïllustreerd boek van de Sprookjes van Grimm op het idee om de illustrator op te bellen.

Anton Pieck brengt Doornroosje naar haar laatste rustplaats (1953).

Het antwoord van Pieck is een hartgrondig "nee". Pieck vind dat 'ie het al druk genoeg heeft en ziet bovendien niets in 'een speel- en sprookjestuin', maar Reijnders houdt aan en vraagt om een kwartiertje om zijn verhaal te doen. Het gesprek op een avond bij Pieck thuis duurt uiteindelijk meer dan twee uur, waarna Anton helemaal warm is gelopen. Een eis is wel dat er geen tijdelijk bordkartonnen gebouwen worden opgetrokken, maar met echte stenen en ander duurzaam materiaal wordt gebouwd.[5] Hij ontwerpt een tiental sprookjes die worden gerealiseerd in de paar maanden tot de opening in 1952, te weten: Doornroosje, het Kabouterdorp, Langnek, de Sprekende Papegaai, de Chinese Nachtegaal, de put van Vrouw Holle, Kleine Boodschap, Sneeuwwitje en op het Herautenplein de De Kikkerkoning en De Magische Klok. Tijdens een interview voor een video-documentaire over zijn leven op 85-jarige leeftijd kijkt Anton Pieck op dit moment terug:

De Efteling is toch een avontuur dat ik in mijn leven niet graag gemist zou willen hebben. Ik begon met de eerste schetsen die zó uitgevoerd moesten worden dat bij de opening van het Sprookjesbos in 1952 tien attracties moesten bewegen. Ik geloof dat er op dat moment twee werkten. Het was allemaal wel wat primitief, maar op dat moment was het toch leuk. Aan de andere kant, de kinderspeelplaatsen die je toen in de Nederlandse steden zag, bestonden slechts uit beton en ijzer. Ontzettend nuchter. Ik vind het zo geweldig belangrijk voor kinderen dat ze een speelplaats hebben, waar ze later eens aan terugdenken. Dus een speelplaats met romantiek.[6]

Wat niemand bij de ontwikkeling van het Sprookjesbos in 1952 kan vermoeden, is dat het een doorslaand succes wordt. Pieck dacht zelf dat hij wellicht moest oppassen als hij later nog eens in Kaatsheuvel kwam, omdat het een grote mislukking zou worden.[7] Niets bleek minder waar.

Anton Pieck en Peter Reijnders snijden de taart aan bij de opening van Hans en Grietje. (1955)
Anton Pieck bekijkt de bouw van de Vliegende Fakir.(1958)

Zijn ontwerpen

In de jaren erna volgen er meer sprookjes, waaronder Hans en Grietje (1955), de Stenen Kip (1955), Ezeltje Strek Je (1956), de Vliegende Fakir (1958), Holle Bolle Gijs (1959), De Indische Waterlelies (1966) en de Wolf en de Zeven Geitjes (1973). Het duo Reijnders en Pieck weet ondanks de verschillen tussen beide heren, waarbij ze zichzelf een technische analfabeet en een esthetische botterik noemen,[8] in een hechte samenwerking al deze sprookjes en attracties te ontwerpen. Reijnders neemt het technische gedeelte op zich, terwijl Pieck de verhalen hun gezicht geeft. Maar behalve de sprookjes doet Pieck nog veel meer: Hij ontwerpt de prullenmanden (1953), het Anton Pieckplein (1954), het Kinderspoor (1954) en hij brengt de Stoomcarrousel van Janvier (1956) naar de Efteling, en behoedde het zo van een wisse dood. Tijdens een interview op zijn 85e verjaardag vertelt hij:

Ik heb in m'n leven altijd al een groot zwak gehad voor de kermisromantiek en één van de hoogtepunten van de kermisromantiek was wel de oude stoomcarrousel. Ik herinner me dat, toen we een jaar of vijf waren, we met m'n broer op de Helderse kermis een bezoek brachten aan de stoomcarrousel van Janvier. Dat was voor ons een geweldige belevenis. Ik heb niet kunnen denken dat diezelfde carrousel op het ogenblik op de Efteling staat. We hebben de carrousel van Janvier destijds gerestaureerd en opgeknapt en op zich was dat voor mij al een bijzondere gebeurtenis.[9]

Pieck bouwt tevens het complex van de Stoomcarrousel uit tot het Carrouselpaleis, waar hij in 1971 het Diorama voor ontwerpt en een jaar later het Victoriaans theater en de complete buitengevel. Ook folderbakken, lantaarnpalen, zitbankjes, serviesgoed en tegelvloeren, alles wordt door Pieck ontworpen. Tussen de 1500 tekeningen en ontwerpen die Pieck voor de Efteling maakt zitten ook zaken die nooit zijn uitgevoerd, waaronder de Betoverde Appelboom of de Heksenkelder, en zaken die alweer verdwenen zijn, zoals de Magische Liefdesbron en Ingang West.

In 1959, 1974 en 1982 maakt Pieck illustraties voor sprookjesboeken die door de Efteling worden uitgegeven: Het Efteling Sprookjesboek en de door Martine Bijl geschreven boeken Sprookjes van de Efteling en Anton Pieck en de wonderbaarlijke geschiedenis van de Efteling. Ze zijn niet meer in het park verkrijgbaar, maar veel van de illustraties uit die uitgaves zijn verschenen in het in 2009 uitgegeven Sprookjesboek van de Efteling, geschreven door Gerrie van Dongen en Ad Grooten. Daarnaast heeft Pieck ook de ontwerpen gemaakt voor folders, posters, informatieboekjes, ansichtkaarten en dergelijke.

Overigens is Pieck, net als Reijnders, al die tijd nooit in dienst geweest van de Efteling. Beiden werden als 'externe adviseurs' betaald voor hun diensten.

Milde dictator

Anton Pieck mengt zelf de verf voor het snoephuisje van de heks.

Vijfentwintig jaar lang trekt Pieck naar Kaatsheuvel om daar iedere woensdag te bekijken of de schilders, bouwvakkers en de technische dienst zijn ideeën zo uitvoeren zoals hij ze ontworpen heeft en om nieuwe projecten te bespreken. Ton van de Ven vertelt daarover:

Hij werd van het station gehaald, gaf iedereen een hand, keek hoe het werk vorderde en zei dan strijk en zet: "Prachtig werk, maar u moet het daar en daar nog aanpassen." Dat betekende in de praktijk dat je alles wat je had gemaakt tot de grond toe kon afbreken.

Er zijn zodoende vele bekende anekdotes over hoe zeer Pieck streefde naar perfectie, zoals bij de bouw van de eerste sprookjes waar de ontwerpen zo scheef moeten komen te staan als op het ontwerp. Pieck laat daarvoor de metselaars die rechts zijn, links werken.[10] Voor een kabouterhuisje dat in de jaren zeventig wordt gebouwd laat hij Mari van Heumen een houten hamer pakken om een net gemaakt schoorsteentje op het dak krom te slaan. Daarom kreeg hij de bijnaam de milde dictator. Dit komt mede door de enorme perfectionist die Pieck was, zelfs een iets afwijkende kleurnuance[11] of een hartje in een kozijn dat net een centimeter te breed is uitgezaagd kan hem mateloos ergeren.

Pieck onthult zijn eigen plein.

Op 8 juni 1954 halen Peter Reijnders en de bestuursleden van de Efteling daarom een grap met hem uit. Ze weten dat Anton Pieck tegenstander is van iedere commerciële uiting in de Efteling en juist op de dag van de officiële opening van een door hem ontworpen plein heeft iemand tegen de muur van één van de gebouwtjes een foeilelijk reclamebord gehangen, waaruit op te maken valt dat een stukje verderop ijs verkocht wordt.

Pieck is te laat op het plein aanwezig om er nog iets aan te doen want burgemeester Van der Heijden is al met zijn toespraak begonnen. Aan het einde van de speech vraagt Van der Heijden of Pieck dat bord wil weghalen: "Mijnheer Pieck, zou ik U mogen vragen deze schanddaad van het plein te willen wegnemen?" Pieck staat op, stapt af op het bord en rukt het ijsbord van de muur en onthult daarmee zijn eigen plein. De aanwezigen reageren met luid gejuich.[12] Pieck haalt het bord later nogmaals weg voor de camera van Peter Reijnders.[11]

Maar ondanks de strenge manier waarop Pieck het werk de medewerkers van het park beoordeelt, staat hij vooral bekend als een echte heer. In het park begroet hij iedereen en neemt daarbij zijn hoed even af, en altijd met een vriendelijk woord.[13] Annie Klis, een medewerker van het eerste uur, zegt daarover in het jubileumboekje 'Mam, een duppie voor de kip?':

Anton Pieck reed geen auto, hij had ook geen rijbewijs. Dus als het op een woensdag laat was geworden, reed ik hem wel eens naar huis. Dan mocht ik daar niet weggaan zonder eerst koffie gedronken te hebben. Reuze vriendelijk was hij altijd. En goedgeefs. Ik heb nog enkele originele tekeningen liggen. Persoonlijk van hem gekregen.[14]

Het vertrek

Anton Pieck wordt benoemd tot ereburger in 1978.
Anton Pieck en Ton van de Ven bekijken de bouwvorderingen aan het Kabouterdorp tijdens de winter van 1979-1980.
Ton van de Ven en Anton Pieck op zijn tentoonstelling in de Efteling, juni 1986.

Het is moeilijk om aan te geven wat het laatste is in de Efteling waar Anton Pieck zijn medewerking aan heeft verleend. Zijn werk wordt in 1975 officieel overgenomen door Ton van de Ven, die tien jaar daarvoor was aangenomen (waarbij Pieck zelf aanwezig was bij het sollicitatiegesprek en enkel aan Van de Ven vroeg of hij het perspectief beheerste) en had meewerkt aan o.a. de Indische Waterlelies en het Diorama, waar hij de projectleider was. Anton Pieck geeft zijn werk echter met volste vertrouwen aan hem over. In een interview zegt hij daarover:

Ik heb aan het werken in de Efteling altijd bijzonder prettige herinneringen. Maar omdat ik al zo oud ben en er altijd iemand moet zijn, is mijn werk nu overgenomen door de heer Ton van de Ven, die dat voortreffelijk doet.[15]

Op zaterdag 23 augustus 1975 vindt er een diner voor genodigde plaats in het Café-Restaurant. Tijdens de gebruikelijke speeches ontvangt Pieck van Van der Heijden een Russisch icoon als cadeau. Pieck wil niet met een standbeeld of plaatreliëf in het park geëerd worden, zoals de plannen van de Efteling eerst zijn, maar in zijn bescheidenheid stemt hij wel in met een fontein op de Sint Nicolaasplaets. Op 26 september neemt Pieck afscheid van het vaste personeel. Pieck blijft na zijn vertrek als ontwerper nog aanwezig als adviseur.[16]

Tot ver in 1976 blijft hij dan nog wekelijks langskomen voor werkbezoeken. De wekelijkse uitstapjes naar het park worden daarna omgezet in maandelijkse. Na 1976 zijn er nog een aantal projecten waar in hoofdlijnen de eerste ideeën of tekeningen nog uit de koker van Pieck komen, zoals het Spookslot (1978) en de nieuwe kabouterhuisjes in het Kabouterdorp (1980). Fata Morgana is, hoewel een project dat compleet is ontworpen door Van de Ven, zeer geïnspireerd op Piecks illustraties van de sprookjes van 1001 nacht en zijn tekeningen gemaakt in Marokko. De laatste keer waarvan bekend is dat Pieck nog aanwezig is in de Efteling, is bij de opening van deze attractie, in het een na laatste levensjaar van de romantiserend illustrator.

Ook na zijn dood worden er nog ontwerpen van hem gebruikt bij de verwezenlijking van nieuwe attracties in het park. Zo zien we onderdelen van Piecks tekeningen terug in Droomvlucht (1993), Vrouw Holle (2006) en Assepoester (2009).

Uniciteit

De enorme populariteit van de Efteling is zonder meer vooral te danken aan de basis die Anton Pieck legde en nog altijd te bemerken is, zelfs aan veel recente toevoegingen aan het park. De fraaie ontwerpen en degelijke uitvoering, maar vooral de bijzondere sfeer draagt daar aan bij. Anton Pieck wilde nadrukkelijk een romantische wereld creëren die vooral kinderen zou bijblijven en waar ze aan zouden terugdenken. In zijn achterhoofd had Anton voor de ontwerpen van de Efteling een eigen jeugdherinnering, het uit circa 1870 daterende speeltuintje 'De Tuintjes' in Den Helder:

Het was allemaal even gammel en allemaal even oud, maar toch, het hele geval had een enorme sfeer en zo waren De Tuintjes voor mij altijd een ontzettend belangrijk ding. Ik weet ook écht dat met het hele ontwerpen van de Efteling juist dit geval, die Tuintjes, dat was eigenlijk altijd iets dat mij altijd door het hoofd speelde.[17]

De unieke ontwerpen en de grote zorg waarmee deze zijn uitgevoerd onderscheiden de Efteling van andere sprookjes- en recreatieparken in de wereld. Want hoewel het onderwerp waarmee de Efteling al vanaf de opening in 1952 uitpakt niet origineel te noemen is, is de manier waarop alles ontworpen en uitgevoerd is dat zeker wel.

Efteling-portfolio

1952-1961

1962-1971

1972-1987

Zie ook

Verwijzingen
  1. 1,0 1,1 Antoon Erftemeijer: Anton Pieck: Een romantisch tekenmeester (2008), pag. 7
  2. Anne Hallema: Anton Pieck: Catalogus en beschrijving van zijn prenten en schilderijen (1930)
  3. Antoon Erftemeijer: Anton Pieck: Een romantisch tekenmeester (2008), pag. 8
  4. Antoon Erftemeijer: Anton Pieck: Een romantisch tekenmeester (2008), pag. 9
  5. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 11
  6. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 5
  7. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 13
  8. Bob Venmans: Het Sprookje van de Efteling (1962), pag. 39
  9. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 45
  10. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 15
  11. 11,0 11,1 Bob Venmans: Het Sprookje van de Efteling (1962), pag. 36
  12. Henk vanden Diepstraten: De Efteling/Kroniek van een Sprookje (2002), pag. 33
  13. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 59
  14. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 61
  15. André Sonneville: Mam, een duppie voor de kip? (1992), pag. 63
  16. Henk vanden Diepstraten: De Efteling/Kroniek van een Sprookje (2002), pag. 100
  17. Antoon Erftemeijer: Anton Pieck: Een romantisch tekenmeester (2008), pag. 92