De klok aan het Anton Pieckplein

Zwaan Kleef Aan, beter bekend als De Gouden Gans, is een sprookje over een jongen genaamd Domoor die een gouden vogel vindt waar mensen aan vast blijven kleven zodra ze deze aanraken en een prinses die niet kan lachen tot ze de rij met mensen ziet die achter Domoor aanlopen. Het is een volkssprookje waar veel variaties van bekend zijn en dat werd gepubliceerd als "Die goldene Gans" in Kinder- und Hausmärchen (1812) van de gebroeders Grimm en "Schwan, kleb an" in Deutsches Märchenbuch (1845) door Ludwig Bechstein.

In de Efteling is een fragment uit het verhaal uitgevoerd in de vorm van een klok met een bewegend tafereel in miniatuur. Het werd naar ontwerp van Anton Pieck geplaatst op het Anton Pieckplein in 1958.

Uitbeelding

Het tafereel

We treffen het aan in een onopvallende hoek naast het gebouwtje voor de voormalige Poppenkast-voorstellingen. Het sprookje is behuisd in een simpele smalle zuil met een puntig dakje, met ervoor een opstapje en een hekje.

Op ooghoogte bevindt zich een venster met daarachter een sierlijke klok en een diorama. Het diorama bestaat uit een eenvoudig stedelijk gevelrijtje met een raampje met (meestal) gesloten luikjes en aan weerszijden daarvan een poortje. Boven het venster lezen we in een goudkleurige metalen cirkel de uitgestanste naam van het sprookje, zwaan kleef aan en onderaan, op het kozijn van het raampje, de tekst

Ieder kwartier lacht de Prinses.

Het uurwerk
De prinses lacht

Ongeveer op het kwartier komt het sprookje tot leven. Uit een luidspreker achter de gouden cirkel klinkt een wijsje gespeeld op schelle bellen. Achter het venster gaat een draaischijf bewegen en we zien uit het rechterpoortje de domoor uit het sprookje aankomen met de gouden gans onder zijn arm. Vastgekleefd aan de gans zitten zeven figuurtjes die noodgedwongen de domoor volgen op zijn pad. Vanuit de draaischijf wordt elk figuurtje simpel van voor naar achter bewogen; de figuren hebben zelf een of twee scharnierpunten. Ondertussen zijn de luikjes opengegaan en zien we de prinses verrukt heen en weer wiegen. De missie van de domoor is kennelijk geslaagd: de prinses lacht eindelijk weer! Het gezelschap verdwijnt uiteindelijk door het linkerpoortje en de muziek stopt.

Het tafereeltje is in al zijn eenvoud een toonbeeld van een oer-Eftelings ontwerp.

Geschiedenis

Met ongeveer twee vierkante meter oppervlakte is dit één van de kleinste attracties van de hele Efteling. Informatie over de klok is schaars. Het openingsjaar is bekend van de oudste Efteling-fansite Gniletfe. Efteling-boeken, waaronder ook Kroniek van een Sprookje, vermelden de openingsdatum van Zwaan Kleef Aan niet. In de Kroniek is op pagina 61 wel een foto te vinden van de bouw van het tafereel en de wijzerplaat.

Muziek

De originele belmuziek is te vinden op de Efteling CD 2. Ruud Bos heeft een kortere versie opgenomen voor Muziek van de Efteling, later overgenomen door Wonderlijke Muziek van de Efteling. De track wordt daar "De Gouden Gans" genoemd.

Het sprookje

Oorsprong

Tekening door Anton Pieck, waar Domoor een gouden gans onder zijn arm draagt

"De gouden gans" is een sprookje van de gebroeders Grimm dat ze opnamen als het vierenzestigste sprookje in de bundel Kinder- und Hausmärchen onder de oorspronkelijke titel "Die goldene Gans". In Nederland en Vlaanderen speelt echter vaak een zwaan de hoofdrol in plaats van een gans. Bij ons is het sprookje dan ook bekend als "Zwaan kleef aan". Deze titel komt van "Schwan, kleb an" uit het boek Deutsches Märchenbuch, opgetekend door een andere Duitse sprookjesverzamelaar: Ludwig Bechstein. Bechstein dankt zijn bekendheid voornamelijk aan het sprookje van Luilekkerland.

In Bechsteins versie is het geen gouden gans, maar een gewone zwaan, waar de bevolking aan blijft kleven. Waarschijnlijk vanwege de assonantie zal de titel Zwaan Kleef Aan bij ons bekender zijn geraakt. Duidelijk is in ieder geval dat de Efteling deze titel heeft gebruikt voor de klok, maar Pieck ontwierp wel een gouden gans in plaats van een zwaan, en zo zien we de vogel ook uitgebeeld in het miniatuur van de klok.

Jacob Grimm heeft het verhaal waarschijnlijk gehoord van de familie Hassenpflug uit Hessen. In de eerste druk staat het onder nummer 64 IV in een reeks sprookjes over Domoor. Later wordt er gecontamineerd met een versie van de familie von Haxthausen uit de streek van Paderborn. In de Paderbornse versie wordt geen boom omgehakt om een gouden gans/zwaan te vinden, maar is er een slee met een vogeltje ervoor gespannen. De vogel heeft echter dezelfde eigenschappen als de gans/zwaan, iedereen blijft eraan kleven.

Een sprookje met het motief van aan elkaar plakkende mensen is niet alleen in Europa bekend, waaronder in het Finse sprookje "Het rode schaap waar alles aan bleef hangen", maar ook in Azië en Afrika bestaan variaties. In Noord-Brabant bestaat het sprookje "De levende himphamp", waarin vastkleven ook een grote rol speelt. Het motief van de prinses die niet kan lachen komt waarschijnlijk uit het sprookje "Lucilla" uit de Pentamerone (1634-36) van de Italiaan Giambattista Basile, het oer-sprookjesboek waar Charles Perrault en Grimm enkele sprookjes van overnamen. Het is een Venetiaans sprookje over een prinses die niet kan lachen. Haar vader besluit voor het paleis een fontein te bouwen waaruit olie spuit. Al snel levert dat een lachwekkend tafereeltje op en barst de prinses in lachen uit. Een oude vrouw die daarbij uitgelachen wordt, voorspelt echter dat de prinses haar echtgenoot op het kerkhof moet zoeken.

Wilhelm Grimm verbeterde de tekst in latere drukken. In de eerste druk wordt over de tweede zoon gezegd: "met de tweede zoon ging het evenzo, alleen slaat hij zich niet in de arm, maar in het been." Dat werd aangepast, zoals dat immers in een sprookje gebruikelijk is, door de gehele scène woordelijk te herhalen.

Veel elementen uit het sprookje vinden we ook in andere sprookjes. Een dwerg met toverkunsten kennen we van "Repelsteeltje" (hoewel die kwaadaardig is), en het motief van de opdrachten zien we ook bij "De zes dienaren". Een domoor die uiteindelijk aan het langste eind trekt omdat hij ook andere kwaliteiten heeft zien we ook terug in "De jongen die op reis ging om het griezelen te leren".

Samenvatting

Een man met drie zonen, waarvan de jongste Domoor heet, laat de twee oudere zonen het bos in gaan om hout te hakken. Hij geeft ze een eierkoek mee en een fles wijn, maar bij het houthakken komen ze beide een dwergje tegen die ze vraagt om wat te eten en drinken. Beide zoons weigeren iets te geven en beide zoons raken zichzelf met de bijl. Als dan Domoor het mag proberen, is hij aardig tegen de dwerg. Als dank zegt de dwerg: "Omdat je zo'n goed hart hebt en graag iets afstaat wat je bezit, zal ik je belonen. Daar staat een oude boom, hak die om, en tussen de wortels zul je wat vinden." Toen ging de dwerg er vandoor.

Domoor hakt de boom om en vindt tussen de wortels een zwaan met gouden veren. Hij neemt het beest mee en gaat naar de herberg om te overnachten. De waard heeft drie dochters die de zwaan zien en 's nachts proberen een gouden veer te stelen. Maar de drie dochters blijven aan de zwaan kleven. De volgende morgen neemt Domoor de zwaan onder zijn arm en gaat er vandoor zonder zich iets aan te trekken van drie meiden die achter hem aan moeten lopen. Onderweg komt Domoor een pastoor, een koster en boeren tegen, die een voor een proberen de stoet uit elkaar te halen, maar zelf dan blijven plakken aan de achterste in de rij.

Domoor komt dan in de stad, waar de koning en prinses van het land woonden. De prinses was zo ernstig, dat niemand haar aan het lachen kon maken. Daarom had de koning een wet uitgevaardigd: wie haar aan het lachen kon maken, die mocht met haar trouwen. Toen de prinses de stoet achter Domoor voorbij zag komen, barstte ze in lachen uit en kon niet meer ophouden.

Veel versies van het sprookje eindigen hier. Domoor trouwt de prinses en ze leven lang en gelukkig. Er zijn echter ook versies die verder gaan. Daarbij is de koning niet zo blij dat de prinses met zo'n domoor zal trouwen, en bedenkt hij extra opdrachten voor Domoor voordat hij de hand van zijn dochter krijgt. De eerste taak die Domoor moet volbrengen is een man brengen, die een kelder vol wijn leeg kan drinken. Domoor gaat daarop terug naar het bos om de dwerg te vinden om deze om raad te vragen. Als hij aankomt op de plek waar hij de zwaan vond, ziet hij een man zitten met een heel verdrietig gezicht. Domoor vraagt wat hem zo bedroefd maakt, waarop de man antwoordt dat hij zo'n dorst heeft dat hij wel een kelder vol wijnvaten kan leegdrinken. Domoor brengt de man daarop naar het paleis van de koning en binnen een dag is de hele kelder leeg.

Als Domoor dan zijn bruid opeist, beveelt de koning dat hij iemand vindt die al het brood in de bakkerij kan eten. Als Domoor ook dit weet te klaren, wil de koning dat hij een schip haalt dat zowel op land als op water kan varen. In het bos aangekomen ontmoet Domoor de dwerg, die hem het schip geeft. De koning komt dan eindelijk zijn belofte na.

In de Eftelingse media

In boeken

Efteling Gouden Boekje nummer 5 in de tweede serie

In luistersprookjes

  • Het luistersprookje "Zwaan kleef aan" staat op de elpee Sprookjes van de Efteling - deel 4 (1970) en de cd Efteling Sprookjes - deel 3 (1992).
  • Op de cd Efteling Sprookjes 4 (2005) in de serie De mooiste sprookjes uit de Efteling is een nieuwer luistersprookje te beluisteren, inclusief het liedje "Laat je maar gaan".
  • Het luisterboek van Sprookjesboek van de Efteling (2010) bevat een voorgelezen versie op de eerste cd.

Theater

De cast van de voorstelling

Televisie

  • In de televisieserie Sprookjes is Zwaan Kleef Aan een aflevering van het eerste seizoen.

Elders

  • Alsof één uitbeelding van het sprookje in miniatuur nog niet genoeg was, is sinds 2007 een tweede uitbeelding op kleine schaal toegevoegd, namelijk in het Diorama.
Verwijzingen
  1. Wonderchat: 'Eftelingverslag 6 mei', Kabouter Keigaaf, 7 mei 1998