Het beeldje van de Bremer stadsmuzikanten op het Anton Pieckplein

De Bremer Stadsmuzikanten is een sprookje over vier oude, mishandelde huisdieren die van huis weglopen. Tijdens hun tocht naar Bremen weten ze, door samenwerking, een bende rovers uit een huis te jagen, waarna ze daar kunnen blijven wonen als vrienden. Het sprookje werd opgetekend door de gebroeders Grimm, en voor het eerst gepubliceerd als "Die Bremer Stadtmusikanten" in de tweede editie van Kinder- und Hausmärchen uit 1819.

In de Efteling is het verhaal niet uitgebeeld in het Sprookjesbos, maar vinden we het terug in de vorm van een beeld van de vier hoofdrolspelers op een fontein op het Anton Pieckplein. Het onwaarschijnlijke dierengezelschap vinden we in een opeengestapelde configuratie op een hoge ronde zuil in het midden van de vijver. De sculptuur is een ontwerp van Michel den Dulk en werd in 2003 geplaatst bij de ingebruikname van het nieuwe deel van het Anton Pieckplein dat toen opende.

Beeld en fontein

De haan krijgt vorm

De uitbeelding in de Efteling is vormgegeven als een stapeling van de ezel, de hond, de kat en de haan die op elkaars rug staan, zoals ze dat ook in het sprookje doen om als geheel veel groter te lijken. De pose waarin de dieren staan is een iconische: een bekend standbeeld bij het stadhuis van Bremen, dat in 1953 in brons gegoten werd door beeldhouwer Gerhard Marcks, toont de dieren in een vergelijkbare positie. Een beeld of afbeelding van de opgestapelde dieren vinden we onder andere ook in Flein en Alsfeld in Duitsland en Riga in Letland. Anders dan alle andere beelden is het in de Efteling van polyester en gepolychromeerd. De ezel is grijs, de hond bruin (hij heeft zijn rechter voorpoot ingetrokken), de kat rossig en de haan heeft naturalistische bonte kleuren waarbij hij in een kraaiende houding staat met zijn kop omhoog.

De fontein op het Anton Pieckplein

Het beeld staat op een als sokkel dienende zuil die het middelpunt van een ronde fonteinbak vormt. De fontein toont gelijkenissen met de veel oudere van Sint Nicolaas op de Sint Nicolaasplaets. De ronde bak is bij de Bremer Stadsmuzikanten iets kleiner, de zuil heeft een andere vorm en de vier metalen monden waar het water uit stroomt zitten lager, op de onderste ring van de zuil van gemetselde ijsselsteentjes. 's Zomers wordt er een bedriegertje in de sokkel aangebracht, dat op onverwachte momenten nietsvermoedende bezoekers natspuit.

Het sprookje

Oorsprong

"De Bremer stadsmuzikanten", in Nederland en Vlaanderen ook bekend als "De Bremer straatmuzikanten", werd opgetekend door de gebroeders Grimm in 1819 als het zevenentwintigste sprookje in de tweede editie van hun bundel Kinder- und Hausmärchen. De Grimm-broers hebben het verhaal waarschijnlijk gehoord van de familie Haxthausen uit de regio Paderborn, vermoedelijk van Baron August Franz von Haxthausen, een wetenschapper, econoom, advocaat, schrijver en verzamelaar van volksliedjes.

Een belangrijke bron voor veel sprookjes van de gebroeders Grimm was Dorothea Viehmann uit een dorp in de buurt van Kassel. Door bijdragen van haar werd het motief van de muzikaliteit van de dieren en de gedekte tafel in het rovershol toegevoegd. Het is bekend dat Jacob en Wilhelm Grimm hun sprookjes herzagen en materiaal toevoegden, maar daarbij de motieven niet lieten ophopen. Zo werd later, in de editie van 1857, een molenaar geïntroduceerd als de oorspronkelijke eigenaar van de ezel.

Samenvatting

Het verhaal van de Bremer stadsmuzikanten vertelt over vier verstoten dieren (een ezel, een hond, een kat en een haan), die voor hun eigenaars niet langer nuttig zijn en daarom gedood zouden worden. Ieder dier slaagt er in te ontsnappen, maar weet niet goed wat daarna te doen. Omdat de dieren vinden dat ze goed kunnen zingen, komt de ezel op het idee naar Bremen te trekken om als straatmuzikanten te gaan leven.

Onderweg verblijven ze in een bos en komen langs een rovershol. Door op elkaar te gaan staan en hun elk hun eigen dierengeluid te maken, jagen ze de rovers angst aan en kunnen bezit nemen van het huis. Ze laten zich het eten en drinken dat de rovers hebben achtergelaten goed smaken en overnachten in het huis. 's Nachts keert een van de rovers terug. Die weten ze definitief af te schikken door elk gebruik te maken van hun eigen kracht. De roversbende denkt daarop dat het er spookt en verlaat het huis voorgoed. De dieren besluiten samen om in het huis te blijven wonen.

Verschillende versies

Dit sprookje is een klassiek voorbeeld van een fabel; een zedenles waarbij dieren handelen als mensen. De basis is een zeer oud verhaal dat verspreid over Europa voorkomt, maar ook in Afrika en Azië. In Zwehern is een variant bekend waarin de rovers niet bang worden, maar de muziek zo mooi vinden dat de dieren mogen blijven. In andere versies zijn de rovers geen mensen, maar wilde dieren. In Groningen bestaat een versie zonder ezel en rovers, maar waarin de hond, de haan en de kat vossen verdrijven. In Japan bestaat het volksverhaal met een vergelijkbaar motief over Momotarō. Daarin gaat de protagonist op zijn vijftiende naar een eiland en krijgt drie meelballetjes van zijn moeder mee. Hij geeft deze aan een hond, een fazant en een aap, die hem vergezellen. Ze verslaan de oni (een Japanse demon of trol-achtig wezen) op het eiland en nemen de daar verzamelde schatten en geroofde meisjes mee naar huis.

De motieven in het sprookje komen we in veel andere verhalen van Grimm tegen. Avonturen van een groep dieren worden onder andere ook beschreven in "Het gespuis", "Van het muisje, het vogeltje en de braadworst" en "De dood van het hennetje". Ook het afdanken van een dier (bijvoorbeeld "De ganzenhoedster") kunnen we in veel sprookjes terugvinden.

De meest waarschijnlijke reden waarom de dieren muzikanten worden en naar Bremen willen, is omdat die stad bekend stond als een vrije handelsstad, waar eenieder het beroep had dat hij wilde uitoefenen. Iets wat in het verleden geen vanzelfsprekendheid was. Beroepskeuze had meer met traditie en opvolging te maken, dan met vrije keuze. Opmerkelijk is dat de Bremer stadsmuzikanten, in tegenstelling tot wat de titel van het sprookje doet vermoeden, nooit in Bremen aankomen.

Het sprookje is een zeer geliefd verhaal voor toneelstukken en verfilmingen. Walt Disney maakte in 1922 al een korte animatiefilm, The Four Musicians of Bremen. In de jaren zestig en zeventig werden onder andere in Rusland en Brazilië langere animatiefilms gemaakt en bracht Jim Henson een Muppets-versie getiteld The Muppet Musicians of Bremen. In 1997 werd door Warner Bros. de animatiefilm The Fearless Four op het witte doek gebracht.

In de Eftelingse media

Ondanks al die populariteit rond deze fabel, vinden we er (nog) niet veel van terug in de Eftelingse context; waarschijnlijk komt dat vooral door de betrekkelijk recente toevoeging in het park en de minimalistische uitbeelding. Menig bezoeker loopt het sprookje immers voorbij zonder het specifiek op te merken.

In boeken

Efteling Gouden Boekje nummer 10 in de tweede serie (2016)

Als luistersprookje

  • Het sprookje staat als hoorspel op de cd Efteling Sprookjes 3 (2005) van ReDi Entertainment samen met het liedje "De drummer van de Bremer stadsmuzikanten".
  • De versie van Sprookjesboek van de Efteling is voorgelezen te beluisteren op de tweede disc van het luisterboek met dezelfde titel (2010).

Souvenirs

  • Het staat als een van de afbeeldingen op de set pins die uit het naastgelegen Smidje komen.