Bij de Schatkist op de Pardoes Promenade hoort een achtergrondverhaal geschreven door Henny Knoet, dat zich afspeelt in het Symbolica-universum van Pardoes.

Het verhaal werd uitgedeeld tijdens de officiele opening van de schatkist op 6 april 2003. Dit verder nooit meer gepubliceerde verhaal is tot op heden de enige plek waar het karakter Gwendolcus uit het Pardoes-legendarium zijn opwachting maakt.

Het verhaal

Er was eens… een oude en zeer wijze alchemist. Hij heette Gwendolcus en woonde en werkte in het kasteel van de Koning, zo lang hij zich kon herinneren. Hij had zijn eigen laboratorium onder de bogen van de kelders, waar 's winters vleermuizen voor maanden hun vleugels sloten en waar het 's zomers altijd aangenaam koel was. Vanaf het moment dat de eerste zonnestralen over de heuvels piekten, totdat de maan in de vijver spiegelde, werkte Gwendolcus aan "De wetenschappen", zoals hij het zelf noemde. Regelmatig kreeg hij daarbij hulp van Pardoes de Tovernar, die achter het Verhalenbos woonde, zelfs nog voorbij de Duivelsbergen. Die had het in zich resultaten van proefnemingen in een kosmische benadering te plaatsen en soms van wat tovenarij te voorzien.

Zo was hij er, samen met Pardoes, in geslaagd de richting van de atoomstromen in steen zo te veranderen, dat zij zilvermoleculen vormden. Hij had zijn vinding toegepast op de keienweg naar het kasteel, zodat die 's middags schitterde in de zon. In vervolg op deze proefnemingen was hij ondertussen bezig goud te maken uit de atoomstromen van ijzererts. Zijn vorderingen daarmee waren uiterst geheim. Dit in tegenstelling tot zijn andere vindingen, waar hij juist heel open over was. Hij had bijvoorbeeld een manier ontdekt om bliksemspetters in vuurmonden op te vangen om er alle lampen van het kasteel mee te verlichten. Hij had een vertaalmachine ontwikkeld die leugens via een "empitorische lingua-omzetter" in waarheden veranderde. Hij experimenteerde met het indikken van lucht tussen twee polen, door de ruimtes tussen de luchtbelletjes vacuüm te trekken. Uiteindelijk, dacht hij, zou men ".... als men haar dicht genoeg maakt, over de lucht kunnen lopen." Voorlopig liepen er alleen opvallend veel proefpersonen onder het paleispersoneel met hun benen in het gips.

Zijn proefnemingen met lucht hadden hem echter wel ondertussen tot weer geheel nieuwe ideeën gebracht: Gravitatie, namelijk. Hij vroeg zich af, waarom haren aan kammen bleven kleven en waarom snippers perkament tegen opgepoetste lepels bleven zitten. "Deze aantrekking...," bedacht hij,"...is op den hele wereld denzelfde." Het was, daar raakte hij van overtuigd, "...het schuren van der lucht over den aardschijf," dat er voor zorgde dat de bladeren van de bomen in de herfst naar beneden en niet naar boven vielen. Via een systeem van minieme tegenwindjes, duwstormpjes en een handje van Pardoes zijn tovertwinkels, leerde hij "de schuurgraviteit" te beïnvloeden. Zo had hij de scepter van de Koning bij wijze van grap laten opstijgen. Hij had in een doorzichtige ketel een veertje uit de pluim van een van de ridders als een steen naar beneden laten vallen. Tijdens een van de hoffeesten van de Koning, had hij zijn meester behaagd door houten wijnbekers zo zwaar te maken, dat ze niet te tillen waren. Hij had de troon van de Koning met Koning en al laten opstijgen. Hij had een gebraden duif opnieuw laten vliegen en een appel zo zwaar gemaakt, dat hij met veel gekraak dwars door een tafel gezakt was. Iedereen applaudisseerde voor de wijze alchemist. En de Koning genoot van zijn roem. Hij was dankzij zijn alchemist zó populair, als geen enkele koning voor hem was.

Eigenlijk hield Gwendolcus niet zo van dat gegoochel, maar hij deed het voor de Koning èn omdat alle aanwezige edelen hun eigen alchemisten, wichelaars, tovenaars en soms zelfs heksen en kollen naar hem toe stuurden om van hem te leren. Gwendolcus hield er van "....de wetenschappen te delen met het volk. "Behalve natuurlijk zijn vorderingen met het "goud maken", want dat was geheim. En dat hij daarvoor af en toe eens op een feest de pias uit moest hangen, nam hij op de koop toe.

De Koning had twee zonen en een pas geboren dochtertje Victoria. De jongens waren even oud, even groot, even slim en even ondeugend. Ze groeiden op aan het rijke hof, hadden de mooiste kamers en droegen de prachtigste kleren. De een heette Oswal, de ander Orbit. Ze leken niet alleen precies op elkaar, ze wilden ook altijd dezelfde dingen. Tot groot verdriet van de Koning, misgunden ze elkaar alles. Ze kregen wat hun hartje begeerde, maar zelden was het genoeg. Als de één een schouderklopje kreeg, was de ander boos. Als Oswal een mooie, glinsterende steen had gevonden, werd die door de ander ingepikt.

Toen Orbit van een tante een koninklijke bolderwagen kreeg, haalde Oswal er de wielen onder vandaan. Naar hun kleine zusje Victoria keken ze niet om. Als ze in de kelders waren, bij alchemist Gwendolcus, waar de mooiste en interessantste proeven werden gedaan, vochten ze met elkaar over wie er vooraan mocht zitten, of wie de reageerbuis mocht vasthouden, of wie het plofpoeder er in mocht doen, of wie de brander mocht aansteken. Meer dan eens had de alchemist de beide knapen aan hun oren zijn laboratorium uitgezet.

Toen de Koning ouder werd en de jongens volwassener, werd hun rivaliteit alleen maar erger. Ze ruzieden over ieder meisje. Orbit wilde altijd verkering met het meisje dat Oswal had en andersom. Prinses Victoria vond haar beide broers "oerstom". En toen de Koning ziek werd, maakte die zich zorgen over zijn opvolging. Hij stelde zijn zonen voor het rijk in tweeën te verdelen. Maar die ontstaken daarop in grote woede, omdat ze allebei vonden dat ze recht hadden op het hele Koninkrijk. Elke dag was er ruzie in het paleis. Als de een niet keek, probeerde de ander zijn koninklijke vader in zijn ziekbed over te halen het rijk aan alleen hem te vermaken. Op een dag raapte de Koning al zijn krachten bijeen en stuurde zijn zonen de kamer uit. Hij liet Gwendolcus aan zijn bed komen. "Mijn waarde Gwendolcus," zo sprak hij. "Mijn rijk gaat ten onder door al die ruzies. Jij weet overal antwoord op. Help me, vóór ik sterf...."

"De inhoud van deze wonderlijke schatkist is een streng geheim," sprak de oude Alchemist met gedragen stem. Hij legde zijn hand op de rand van het gevaarte, dat met talies en lieren uit de kelder van Gwendolcus op een platte wagen met zes paarden ervoor gehesen was. "Niemand mag de inhoud betrachten. U, jongelieden, moet de kist tegen nieuwsgierige blikken beschermen. Ik vertrouw op u. Breng der kist naar Pardoes de Tovernar. Wat erin zit, behoort hem toe."

De beide koningszonen zaten op hun prachtige zwarte hengsten. Twee rijen volledig uitgeruste soldaten zouden het transport begeleiden. En zij fluisterden onderling over de inhoud van de geheimzinnige kist. De een had het over een ton waarin de zwaartekracht gevangen zat. Weer een ander zei dat hij gehoord had dat het een nieuwe uitvinding was van Gwendolcus. Maar de meesten waren ervan overtuigd dat de kist boordevol goud moest zitten. De alchemist, ze waren er zeker van, had het geheim van goud maken uit ijzererts gevonden en probeerde zo een gigantische rijkdom het paleis uit te smokkelen.

"Alleen Pardoes...," zo sprak de alchemist, "....mag der kist met den magische gouden sleutel openen. En pas op dat moment, zal die weten, wie der koning mag opvolgen." De magische sleutel van de schatkist, zat in een aparte kist, voorop de wagen, met twee sloten gedicht. En elk van de prinsen had van de alchemist één van de twee sleutels van de kleine kist gekregen. "Zo kunnen uwe hoogheden daar samen verantwoordelijk voor zijn," had hij gezegd. En zo waren ze vertrokken.

Toen Gwendolcus terugliep naar het kasteel, keek hij naar boven, waar de koning uit het raam keek. Hij knipoogde naar hem. Prinses Victoria zwaaide haar grote broers uit tot ze de heuvel over waren. Lang hadden de twee Prinsen geruzied, over welke weg ze zouden nemen. Met afschuw had Orbit gesproken over de moerassen in het oosten, waar onschuldig ogende graslanden begroeide moeren zijn. In de bloebende en stinkende drab huizen Moddermonsters, die met de ogen net boven de begroeiing uit, op reizigers liggen te wachten. Ze slaan hun klauwen om hun voeten bij de minste misstap en trekken ze langzaam, oh zo langzaam naar beneden. De doodskreten van hen die de moer boven zich zagen sluiten, hangen nog altijd in de mistflarden tussen de kale bomen. Oswal daarentegen, moest helemaal niets hebben van de weg in het westen. De meeste reizigers namen die route, de eindeloze zandvlakte, waar het zo heet is, dat al het meegebrachte water binnen een dag verdampt. Er moeten poelen zijn, vennen zelfs, maar de weinige reizigers die de tocht overleefd hadden, hadden die niet gevonden. Wel verhaalden ze, met de duivelsangst in de ogen, over lopende duinen, die zich met behulp van de wind zomaar van de ene plek naar de andere verplaatsten. Rustende reizigers waren er door overvallen en onder bedolven.

Uiteindelijk namen ze de beslissing de weg dwars door het Verhalenbos te nemen. Ze hadden besloten de gevaren van deze weg voor lief te nemen. Ze wisten dat er in de schaduw van dikke bomen vilein volk huisde, lompe lieden, die reizigers zonder blikken of blozen een kopje kleiner maakten en hen beroofden van alles wat ze bij zich hadden. Ze wisten, dat er rovers waren die volkomen onzichtbare valkuilen graven in de weg. Na uren van gescheld hadden ze zich bij de route door het Verhalenbos neergelegd. Het was geen prettig vooruitzicht, maar van de drie kwaden, was dit waarschijnlijk de minst slechte. Want ze wisten ook dat er lieflijke lieden woonden; elfen, dwergen, kabouters, trollen. Die verwelkomen bezoekers, geven hen voedsel en gezelschap. Het was zaak tegen de avond zo'n volkje te bereiken. En dus gingen ze.

Ze waren nog geen kwartier gaans het bos in, of de onmin begon alweer. Ze ruzieden over wie er voorop mocht rijden. Ze twistten over wie er eerst zou gaan slapen die avond. Ze waren het oneens over hoe snel ze moesten rijden of dat de soldaten vóór of achter de wagen moesten lopen. Maar in werkelijkheid ging het natuurlijk maar over één ding; de inhoud van de kist. Slechts over één ding waren ze het eens: het goud was in hun eigen kasteel gemaakt. Het was dus van Oswal, vond Oswal. Van Orbit dus, vond Orbit. Bekvechtend trokken ze verder. Maar toen het tegen de avond liep, werden ze stiller. En ondertussen maakten ze allebei plannen om die avond bij de ander de sleutel te stelen, om er alleen met de buit vandoor te gaan.

En zo kwamen ze aan in het elfendorp, gebouwd op de dikke takken van woudreuzen, waar het geurde naar honing en vanille. Harpmuziek klonk door de bomen en zachte stemmen zongen luie liederen. Bruggen, aan lianen opgehangen, verbonden de boomtakken met elkaar. Felgekleurde vogeltjes twinkeleerden om de hoofden van de prinsen en hun soldaten, als die zich, veilig en beschut, hoog in de kruin van een reuzeneik, ter ruste legden en onmiddellijk in slaap vielen.

Toen Oswal, diep in de nacht wakker werd, kroop hij uit zijn bladerbed en sloop naar de slaapplaats van Orbit toe. Voorzichtig deed hij de deken van gevlochten bloemstengels opzij....en zag dat zijn broer niet in bed lag. De bladeren waren nog warm, maar van Orbit was niets te zien. In paniek voelde hij in de binnenzak van zijn tuniek...en merkte dat zijn eigen sleutel was verdwenen. Orbit was hem vóór geweest. Hij rende naar de uit dode lianen geknoopte touwladder en roetsjte naar beneden. Daar, op de platte wagen, naast de schatkist, deed zijn broer net de deksel van de sleutelkist open. "Jij verrader!" schold Oswal. "Jij, onderkruipsel, dief! Je bent nog erger dan de rovers die in dit bos rondlopen." "O ja?" sarde Orbit. "En jij dan? Wat doe jij hier? Ik wilde alleen maar even zeker weten, dat de sleutel er nog was. Gewoon voor alle zekerheid. Niets meer dan dat!" "Je bent een bandiet en een bedrieger!" riep Oswal. "Geef hier die sleutel!" En hij trok met alle macht aan het handvat. Orbit stortte zich op de kist en trok naar de andere kant.

Toen schoot de kist van de wagen, viel naar beneden, brak kapot en de gouden sleutel kwam met een doffe dreun neer tussen twee rotsblokken in de grond. Oswal sprong op de sleutel af en probeerde hem op te tillen. Maar Oswal duwde hem weg en sloeg zijn handen om de schacht van de sleutel.

Maar....hij zat écht vast. Hoe Oswal ook trok, de sleutel was niet te tillen. Nu trok ook Orbit mee. Ze hijgden en steunden, maar er zat absoluut geen beweging in. Hij was zo zwaar geworden als twee volwassen paarden.

"Alle twinkels, Gwendolcus had absoluut gelijk!" hoorden ze ineens een stem. Ze schrokken hevig. Bovenop de schatkist, in het schijnsel van de maan, zat Pardoes.

Ze staarden de Tovernar aan. Die schudde zijn hoofd. "Gwendolcus had het al voorspeld. Hij heeft de gravitatie van de sleutel en de schatkist veranderd. Voor eeuwig zal de sleutel hier vast blijven zitten. De wonderlijke inhoud van de schatkist zal voor altijd verborgen blijven. Pas als er iemand langskomt, die zo eerlijk is als goud en niet door de schittering verblind zal raken, die alleen kan met deze sleutel de vergrendeling ongedaan maken. Voor jullie geldt dat dus in ieder geval niet! Niets dan hebzucht en bedrog. Geen van jullie tweeën zal de koning opvolgen. Jullie zijn niet geschikt voor het koningschap. Maak je uit de voeten en laat je nooit meer zien!"

Van de beide prinsen is nooit meer iets vernomen. Reizigers verhaalden soms over twee in zwart geklede en gemaskerde bandieten, die in eendrachtige samenwerking de bossen onveilig maakten en die gezamenlijk één roversnest hadden in de Duivelsbergen. Maar niemand wist het zeker. De schatkist met zijn geheimzinnige inhoud is nooit meer van zijn plaats geweest. De sleutel steekt nog altijd zwaar en onwrikbaar tussen de rotsblokken omhoog. Na de dood van de koning werd het koninkrijk geregeerd door koningin Victoria de Eerste en ze bracht het land voorspoed en vrede. En Gwendolcus? Die doet nog altijd zijn proeven, soms met zijn vriend Pardoes de Tovernar, maar meestal alleen. Hij hoopt nog altijd mensen over lucht te kunnen laten lopen. Maar zijn pogingen om atoomstromen in ijzererts zo te veranderen, dat er goud ontstaat, heeft hij opgegeven. Zelfs de meest wijze wetenschapper moet eens zijn meerdere in de natuur erkennen.....